
Ik loop door Grootschermer en zie een crispy schuurtje. De klimop die het kennelijk overwoekerd had, is eraf gescheurd en heeft een rafelig Mandelbrot-patroon op de stenen achtergelaten. Ik hoor iemand roepen.
‘Kan ik je misschien helpen?’
Ik doe een stapje opzij om recht voor het gebouw te staan en maak nog een foto.
‘Hé! Heb je hulp nodig?!’
Ik draai me om. In de deuropening van een woning aan de overkant staat een boom van een vent met zijn dikke, getatoeëerde armen over elkaar. Kin omhoog.
Ik loop naar hem toe.
‘Nee, dank je. Ik ben een beetje aan het fotograferen.’
Als je onaangedaan op iemand afloopt, verandert zijn houding vrijwel altijd van offensief naar geïnteresseerd of defensief. Het zijn bijna altijd mannen die bozig zijn.
Ik begin te vertellen wat ik fotografeer en waarom, maar hij is al niet meer geïnteresseerd, draait zich om en klapt de deur dicht.

