In de nieuwjaarspolder heerst nat, koud en wind. De dunne vochtige wind kruipt door de kieren van mijn jas in mijn nek. Na tien minuten klemt mijn spijkerbroek zich klam tegen mijn bovenbenen aan.
Op deze vlakte van niets komt iemand me tegemoet. Een vreemde driehoekige vorm steekt boven de vlakte uit. Als de persoon dichterbij is gekomen zie ik dat het een vrouw is die een enorme sjaal om haar hoofd en bovenlichaam heeft geslagen. Ik groet haar, ze knikt. In haar hand een witte rozenkrans. Misschien is ze op weg naar het huis verderop. Maar als ik omkijk, loopt ze er voorbij. Waarheen? Het putje?
Een hardloopster passeert me. Ze draagt een kort jasje dat bij het rennen opwipt. Blote rug. Koud.
Langs de straat liggen stapels zwartgeblakerde dozen. Als kadavers van het vannacht afgestoken recordvuurwerk. In de berm ligt een bloederig karkas van een meerkoet. Onsmakelijk. Zelfs de hond loopt er met een bocht omheen.
Ik maak foto’s onderweg, die ik thuis onbesuist kwijtraak. Bij het importeren ruk ik ongeduldig de SD kaart te vroeg uit het slotje. Ik formatteer de kaart. Te laat zie ik dat de import nog bezig was. Geen onvergetelijk beelden kwijtgeraakt, maar wel suf.


