Na een halve dag vertraging zijn we dus op Terschelling beland. Het eiland voelt verlaten.
De eerste dag is het nog vreselijk koud, de dagen daarna wordt het iets warmer maar het blijft mistig, en af en toe druilerig. De Terschellingers zijn anders in de winter. Er zijn nauwelijks toeristen. De meeste winkeltjes en restaurants zijn dicht.

Gisteren wandelde ik naar West aan Zee. Het was mistig. Het zicht reikte niet verder dan honderd meter. Mijn bril beslaat, en laat zich niet drogen. Dat helpt ook niet.
In het bos ontdek ik dat Terschelling een houthakvereniging heeft. Ze leggen het gehakte hout in een keurige kring.

Het is weekend. In het hotel zagen we wat meer toeristen arriveren. Maar ze lijken zich schuil te houden. Op weg naar West aan Zee tel ik drie voetgangers, vier fietsers en een auto.


De standtent bij West aan Zee is open in het weekend. We strijken hier neer voor lunch. Een meisje een paar tafels verder heeft een Goois accent waarmee ze heel hard over zichzelf vertelt tegen haar vriendin. Als ze buiten staan zegt de vrouw aan het tafeltje naast ons tegen haar man: ‘Tsjonge, wat een kouwe kak.’ Dat hoor je niet vaak meer: de uitdrukking ‘kouwe kak’. Maar ze heeft wel gelijk.
Ik wandel door het bos terug en maak onderweg foto’s van dingen die niet bewegen. Bomen vooral.




