Het einde van de wereld

Holysloot is zo’n beetje het einde van de wereld. De wegen naar Holysloot eindigen in Holysloot.

Ik loop door het dorp tot het einde van de weg dat sneller komt dan ik verwachtte. Het pontje naar de overkant heb ik niet gezien. Ik kijk op het kaartje op mijn telefoon, maar er gaat al een raam open van een houten huisje langs de weg.

‘Wil je met het pontje?’ vraag een dame die uit het raam buigt.

‘Ja, dat klopt. Kunt u me helpen?’

Ze wijst naar de andere kant van de weg.

‘Ik kom er aan!’

Ik loop naar het grasveld en zie nu de bordjes die ik net volslagen heb gemist.

Pinnen kan en ik reken af bij de dame. We stappen het pontje op, een platbodem met een buitenboordmotortje. Er staat een tentje in het grasveld bij de pont.

‘Heeft u een kampeerder?’ vraag ik.

‘Die is van ons. We sliepen er in. We zijn ons huis aan het verbouwen. Maar het was niet te doen met die ganzen ‘s nachts. We slapen weer binnen.’

‘Echt? Maken die beesten zo’n herrie.’

‘Ja, heel erg. Je bent echt een met de natuur hier.’

Er staat een redelijk windje dat het bootje doet deinen.

‘Een mooie dag zeg, maar er staat wel wat golfslag. We redden het tot windkracht vijf met het bootje.’

‘Ga je vogels fotograferen?’ vraagt ze.

‘Niet speciaal. Ik maak overal foto’s van.’

De dame legt behendig aan en we wensen elkaar een mooie dag.

In de lucht hangt een buizerd. Hij krijst fel en hoog. Ik loop het veld in.

Bij een zwartgeteerd schuurtje zwermen zwaluwen door een spleet in het raam in en uit. Als ik blijf staan worden ze woedend. Ze laten hun indrukwekkende behendigheid zien met luchtacrobatiek die met het oog nauwelijks te volgen is.

Even later bereik ik de dijk bij Uitdam. Hier staan veel BMW’s en Porsches langs de weg.

Het werk aan de dijkverzwaring heeft het wandelpad opgeslokt en ik moet langs de weg lopen. Op de nieuwe, nog karig begroeide dijk staat een bordje: ‘Leeflaag’. Ik heb een nieuw woord geleerd.

Bij Barnegat vind ik het wandelpad het land in terug. Ik worstel honderd meter door het riet, maar er is geen doorkomen aan. Ik loop terug en loop verder langs de weg. Met een ommetje vind ik weer de doodlopende weg naar Holysloot, het einde van de wereld.

Kreil

kolhorn
Barsingerhorn – verkrijgbaar als fine art print

Aan het eind van de Wadweg ga ik eigenwijs niet naar de overkant, want daar wandelde ik vorige week al. Voor straf loop ik anderhalve kilometer langs de autoweg, op een fietspad weliswaar.

Kalkoenen en paarden lopen los.

Her en der liggen vogellijkjes. Buizerds?

De Mieldijk is een mooi weggetje.

Ik loop over de dijk met de naam Kreil. Hier hebben alle mensen paarden. Bij een flauwe bocht rijdt een Maserati me bijna van de sokken. Onderaan de dijk is het Wilde Westen. Bovenop de dijk ben je vogelvrij.

Frik

frik heerhugowaard

Ik wandel door De Noord, tussen de kassen door.

De mensen groeten vriendelijk, maar verwonderd. Er komen hier niet vaak wandelaars, vermoed ik. Het is niet het aantrekkelijkste stukje Nederland.

Bloemen worden hier gekweekt, maar er is ook een zeewierkwekerij.

Ik kom in het gehucht met de prachtige naam Frik.

De route die ik in gedachten had, zou me met een lus terug door hetzelfde gebied moeten brengen, maar ik besluit een andere route te nemen. Het landschap van rechte wegen, afgeperkt door kassen, werd me na een kilometer of zeven te benauwend.

Een auto stopt langs de weg. Een man stapt uit en begint over te geven.

The Sound of Waves – Tatsuo Suzuki

photo by Tatsuo Suzuki The Sound of Waves - Tatsuo Suzuki

Does it matter if you read a photobook from left to right, as we are accustomed to in the West, or from right to left? Like in Japan? Tatsuo Suzuki’s book The Sound of Waves made me wonder when I found the imprint page in the back of the book, contrary to my expectations. So I read the book in both directions (do you ‘read’ a photobook?) and found from left to right seemed the best way to experience the sequence of pictures.

The book’s title, ‘The Sound of Waves’, is so to the point. You hear the waves crashing on the beach, the sound of a band playing live in a bar, fireworks, protests in the streets, rain, the noise of a crowded city, and trains arriving at a station.

Tatsuo’s book follows a tradition of Japanese black and white photography with grainy, sometimes blurry pictures, close-ups, dense pages with little place to rest – the white space between the images is black, drawing the viewer into the book. I see Eyes everywhere, the sad eyes of the models, eyes in the crashing waves. Tatsuo Suzuki drags us through a rough night in a hectic rhythm, and we finally reach dawn (reading left to right). On the last crash of waves, the sun melts away the gloom, with care.

It’s a sensory experience Tatsuo creates. It is a coming and going of the sea, breaking waves, street smells, people marching, yelling, the sweat and sound of a fierce drummer, nearby, traffic, wailing wind, the noise of the sea, murmuring crowd, a highway, more noise.

tatsuo suzuki photo from The Sound of Waves - Tatsuo Suzuki
The Sound of Waves - Tatsuo Suzuki

Lang verhaal

Op een dag viel mijn gehoor uit. Mijn vrouw stond in de deuropening en zei iets tegen me.

‘Kun je iets harder praten’, zei ik, ‘ik versta je niet.’

Ze zei iets tegen me. Ik keek haar aan.

‘Hou je me voor de gek?’

Ze liep naar me toe en klapte in haar handen. Dat zag ik, maar dat hoorde ik niet. Ik knipte met mijn vingers. Ergens in mijn lichaam voelde ik een tik, maar horen deed ik niks.

Je moet naar de huisarts, schreef mijn vrouw op een briefje.

Ik knikte. Ze belde.

Even later zat ik bij de huisarts.

‘Wat heb je gedaan?’ schreef ze op een briefje en keek in mijn oor.

‘Niks’, zei ik, ‘zie je iets?’.

‘Ziet er normaal uit. Heb je iets vreemds gegeten?’

‘Niet dat ik weet’, zei ik.

Ze keek in mijn neus.

‘Hmm’, schreef ze, ‘ik pak even een pincet.’

‘In mijn neus?’ zei ik.

Ze knikte en rolde haar stoel naar een kastje langs de muur. Uit een laatje viste ze een lange pincet. De stoel rolde weer terug.

‘Dit kan even naar voelen’ schreef ze.

Ze duwde mijn hoofd tegen de hoofdsteun. Aarzelde een moment. Ze stak de pincet in mijn neus.

Achterin mijn ogen schuurde iets. Langzaam trok ze iets uit mijn neus. Het leek op de punt van een zakdoek. Het kriebelde achterin mijn keel. Ik moest hoesten. De hoest drukte een klont door mijn neus. De klont kletste in het metalen bakje onder mijn kin.

‘Wat is dat nou?’ zei ik.

‘Lang verhaal’, schreef ze op het notitieblok.

‘Ik kan je weer horen’, zei ik.

‘Lang verhaal!’ riep ze naar me. Ze hield de doek tegen het licht.

‘Je hoeft niet zo te schreeuwen.’