Ik loop door Wormer. Een hond is in een boom gesprongen als een kat en wil er niet meer uit. Haar baasje staat met haar handen in haar zij voor de boom te roepen.
‘Saar kom er uit!… Saar!’
Ze kijkt me hulpeloos aan als ik langsloop. De labrador in de boom kijkt onnozel. Hoger in de boom schreeuwen halsbandparkieten naar elkaar.
‘Heb je geprobeerd de hond met brokjes te lokken,’ zeg ik, ‘het is een labrador tenslotte.’
Ze steekt haar hand in haar jaszak. De hond staat al naast haar met zijn neus tegen haar jas.
Ik versta hem niet meteen. “Een meisje?” vraag ik.
“Ja, hij houdt niet van mannetjes, maar wel van mädje”, zegt hij. Limburgs, besef ik nu.
Een wielrenner steekt met de fiets aan de hand over en wordt bijna aangereden. Een auto toetert boos.
Even verderop staat Sixsens, House of Pleasure met lila geverfde muren in de steigers.
Bij de kapel zegt een vrouw uit het westen: “Zo, ik heb net nog geprobeerd een rondleiding te fixen.”
De racefietsen razen hier naar beneden. Is er een route het dal in? Ik dacht dat de weg hier doodliep en overging in een wandelpad. Een platgereden egeltje langs de kant van de weg. Het zal toch niet? … Die fietsers?
Iemand heeft een appel op een paaltje achtergelaten. Een vergiftigde appel voor de geliefde van de prins? De hond snuffelt eraan, laat hem liggen. Ik weet genoeg.
Ik heb een filmpje in mijn hoofd, het zou een droom kunnen zijn, maar dat is het niet. Ik weet niet waar het vandaan is gekomen.
Een fanfare marcheert door de polder. Een kleuter op een driewieler vormt het gevolg. De driewieler hoor je piepen tussen de noten van de fanfare door. Met een kromme rug van de inspanning weet de kleuter de fanfare bij te houden.
De fanfare stevent recht op de dijk af die de polder omzoomt. Zonder in te houden lopen ze door het gras de dijk op. De kleuter laat zijn driewieler onderaan de dijk achter en rent omhoog. De fanfare bereikt aan de andere kant van de dijk het water al. Ze marcheren achter de tamboermajoor aan het water in. Met de fanfare verdwijnt de muziek het water in, de bombardons al laatste. Homp-homp-homp zeggen de bombardons.
Ik lees in “Een jaar vrij” van Karien Hoenderdos over honjok, een term die ik nog niet kende. Honjok is een term overgenomen uit Zuid-Korea en heeft betrekking op mensen die ervoor kiezen activiteiten alleen te ondernemen. Mensen die de behoefte hebben zich los te maken van de maatschappij en haar druk om in het gareel te lopen.
De maatschappelijke acceptatie van honjok is veranderd. Waar het vermijden van sociaal contact eerder werd gezien als onacceptabel en ondermijnend voor de maatschappij, ontstaat er nu meer acceptatie. De behoefte aan autonomie, om dieper met zichzelf verbonden te zijn en het leven volgens eigen waarden te leiden, wordt meer en meer erkend.
De groep wordt ontdekt als een ‘markt’ voor nieuwe producten: ander media-aanbod, eenpersoonsrestaurants, en een aanbod van voedsel gericht op eenpersoonshuishoudens – een solo-economie.
Ik moet hierbij denken aan de boeken van de Japanse schrijvers Mieko Kawakami en Sayaka Murata waarover ik eerder schreef. In hun werk worden de donkere kanten van de Japanse maatschappij weergegeven bij mensen die kiezen ervoor om zich afzijdig van de maatschappij te houden — ‘de fabriek’, zoals het in Earthlings van Murata genoemd wordt. Misschien is de Japanse maatschappij nog niet zo ver als de Zuid-Koreaanse.
Ook bij ons zien we een toename van alleenstaanden en mensen die bewust kiezen voor soloactiviteiten. Dit wordt deels gedreven door een dieper geworteld individualisme in de westerse cultuur. Maar er lijkt ook een verschil te zijn. Waar honjok een reactie is op maatschappelijke druk van ‘de fabriek’, lijkt het in het Westen iets te zijn uit de ‘wellness’-cultuur, bijvoorbeeld hier in Happinez en hier in Flow. Zo wordt honjok een statussymbool van onafhankelijkheid.
Today, in our age of digital media and ever expanding social networks, living alone can offer even greater benefits: the time and space for restorative solitude. This means that living alone can help us discover who we are as well as what gives us meaning and purpose. Paradoxically, living alone might be exactly what we need to reconnect.
Ik lees “Het verlies van El Dorado” van V.S. Naipaul, naar aanleiding van vermelding in Paul Theroux’ “The Toa of Travel“? Dicht opeengepakte informatie, en niet er aantrekkelijk geschreven. Voelt als strafwerk.
Op zo’n zondag als je te lang binnen hebt gezeten, ga je naar het strand om een beetje uit te waaien. Op het duin staat een club natuurliefhebbers in camouflagekleding met verrekijkers op driepoten. Eerst probeer je te ontdekken waar ze naar staan te turen, daar in zee. Je krijgt tranen in je ogen van het tegen de wind in staren, dus je vraagt het aan zo’n bebaarde bioloog die geconcentreerd in zijn verrekijker staart. Blijkt dat het gerucht de ronde doet dat er een walvis met jong voor de kust rondzwemt. Je staart nog een tijdje naar de horizon, maar ziet niets. Ook door de verrekijker is blijkbaar niets te zien. Dan roept er ineens iemand: “Kijk, een pestvogel!” Iedereen draait zich om en inderdaad zit er tien meter verderop in een struik een grijze pestvogel. Veel leuker dan een walvis. Camera’s klikken.
De eerste herinnering van John was van een aantal jaren voor zijn geboorte. Ja, dat klinkt raar, maar misschien zullen we dat later verklaren. Het jaar 1960. Het betreft de copulatie die de conceptie van zijn broer Henk tot gevolg had. John stond naast het bed waarin zijn ouders de liefde bedreven. Absurde details van deze herinnering zaten verankerd in zijn brein. Voor het hoge slaapkamerraam hingen donkergroene gordijnen. De gordijnen waren niet volledig naar elkaar toe geschoven. Het heldere licht van een zonnige dag scheen door een spleet tussen de gordijnen de slaapkamer in. John kom de lichtgroene, geruite wollen deken voelen prikken op de billen van zijn vader. De zware bril van zijn moeder lag op het kussen. John had koude voeten gekregen op het grijze linoleum waarmee de vloer van de kamer was bedekt. Het metalen bed van zijn ouders bonkte tegen het kastje aan het hoofdeind van het bed. Van zijn ouders herinnerde John zich geen enkel geluid. De activiteiten van hun liefdesspel werden slechts verraden door het zachte gepiep dat het springveren matras voortbracht. De herinnering eindigde met het verstommen van het gepiep en het neerkletsen van een natte washand op de grond, vlak voor Johns voeten.
Tussen deze herinnering en de volgende bevond zich Johns geboorte.
Zes jaar later zag John de onderbuurman aan komen rijden. John stond voor het slaapkamerraam en keek uit over de weg die voor de flat langs liep. De buurman stak zijn auto achteruit het parkeervak in. Het portier ging open en twee krukken werden naar buiten gestoken. Buurman tilde zijn benen één voor één uit de auto. Met een zwaai zette hij zichzelf op de krukken en hij strompelde om de auto naar het achterportier. Hij opende het achterportier en trok een rolstoel uit de auto die op een rolmechanisme in de auto was opgeborgen. Hij sloot het portier af en liep voorzichtig achter de rolstoel de stoep op. De krukken borg hij in kokers die aan de zijkant van de rolstoel waren bevestigd en hij ging in de stoel zitten. Onder zijn jas vandaan kwam een deukhoed tevoorschijn die hij opzette. Hij tastte weer in zijn jas en haalde er een bolknak uit, die hij ontdeed van het plastic en opstak. In het kommetje van zijn hand hield hij een vlammetje bij de sigaar en gehuld in dikke rookwolken begon buurman te rijden. Hij nam de sigaar uit de mond, spoog op de stoep en reed het beeld uit. John streek met zijn vinger over het bestofte blad van de sanseveria in de vensterbank. Hij bestudeerde de streek die hij had getrokken over het blad en stak toen zijn vinger in zijn mond. Hij proefde de muffe smaak van het stof en spuugde het uit.
De vader
De vader van John heette Rudy Goltz. Rudy was een automonteur, een het type arbeider dat de hele dag loopt te kankeren op de baas, tegen collega’s en tegen zijn vrouw. Ondanks dat gescheld hield hij van sleutelen aan auto’s en ging hij graag naar zijn werk.
Schelden en foeteren was Rudy met de paplepel ingegoten. Zijn vader was een onmogelijke zuurpruim met een sjofel voorkomen dat bepaald werd door de lang haar dat achterovergekamd werd gedragen en in model gehouden door brylcream. Iemand die tijdens feestjes pas uit de hoek kwam vanwaar hij de hele vooravond had zitten mokken als hij voldoende citroenbrandewijn had gedronken en dan de verhalen begon te vertellen over de tijd rond 1920 toen hij nog als een soort freelance timmerman door het land had gezworven.
Bertus was geboren in 1898, het jaar waarin Bertus’ vader voor de zoveelste keer promotie kreeg en werd benoemd tot inspecteur-generaal van de fortificaties in Berlijn. Zijn vader was vijfenveertig toen Bertus werd geboren. Bertus zou het enige kind blijven dat het gezin Goltz zou tellen.
Bertus’ moeder was vijftien jaar jonger dan zijn vader. Zijn moeder was een dochter van een Nederlandse zaakgelastigde in Turkije. Zij ontmoette haar toekomstige man in Istanboel, waar hij was gestationeerd om een geheime militaire opdracht te vervullen voor de Turkse regering. Ze waren direct verliefd en in plaats van terug te keren naar haar betrekking als verpleegkundige in Leiden, trok ze bij hem in.
Colmar Goltz
Freiherr Colmar von der Goltz werd geboren in Bielkenfeld, Oost-Pruisen, op 12 augustus 1843. Colmar was een militair in hart en nieren. Op negentienjarige leeftijd solliciteerde hij bij de Pruisische infanterie. In 1864 ging hij naar de Berlijnse militaire academie. Tijdens een tijdelijk uitstapje naar de Oostenrijkse oorlog in 1866 raakte hij gewond. Tijdens een gevecht werd hij geraakt in zijn rechterbil. Afgezien van een moeizame manier van lopen die hem de bijnaam ‘Der Krebs’ deed krijgen, en een merkwaardige aanblik van het missen van een bil in de pantalons van de militair, hield hij hieraan geen noemenswaardige handicap over. In 1867 kwam hij bij het topografische onderdeel van de generale staf terecht. Echter, in de eerste maanden van de Frans-Duitse Oorlog in 1870/1871 werd hij alweer ingelijfd bij de staf van Prinz Friedrich Karl. Hij nam deel aan de slagen bij Orleans en Le Mans. In 1871 werd hij aangesteld als hoogleraar aan de militaire school in Potsdam, kreeg dat jaar de rang van kapitein en werd ondergebracht bij het historische onderdeel van de generale staf. In deze tijd schreef hij verscheidene klassieke militaire werken zoals ‘Die Operationen der II. Armee bis zur Capitulation von Metz’ en ‘Die sieben Tagen von Le Mans’. In 1874 werd hij toegevoegd aan de zesde divisie en schreef in die tijd ‘Die Operationen der II. Armee an der Loire’ en ‘Leon Gambelltr und seine Armeen’. De visies die hij in dit laatste boek beschreef leidden ertoe dat hij weer regimentaire activiteiten moest uitvoeren, maar na korte tijd kwam hij toch bij de afdeling Militaire Historie terecht. In 1878 werd hij lector Militaire Historie aan de militaire academie van Berlijn. Hij bleef hier vijf jaar en werd bevorderd tot majoor. In 1883 publiceert hij ‘Das Volk in Waffen’, wat eveneens een militaire klassieker werd. Daarnaast droeg hij gedurende zijn verblijf in Berlijn bij aan vele artikelen in militaire tijdschriften.
In 1883 wordt hij uitgeleend aan Turkije om de Turkse regering te helen bij het reorganiseren van het militaire apparaat. Hij werkt hier twaalf jaar aan, het resultaat is er naar: de Grieks-Turkse oorlog van 1897 wordt een succes voor Turkije. Goltz krijg de titel pasha. Bij zijn terugkeer in Duitsland in 1896 wordt hij benoemd tot luitenant.generaal en hij wordt commandant van de 5e divisie en in 1898 hoofd van de genietroepen en inspecteur-generaal van de fortificaties. In 1900 wordt hij infanteriegeneraal en in 1902 commandant van het 1e leger. In 1907 wordt hij inspecteur-generaal van het 1e leger inspectie in Berlijn. In 1908 wordt hij tenslotte benoemd tot zijn hoogste militaire rang: kolonel-generaal, ofwel Generaloberst.
De herinnering als variabele
Zoals de tijd geen constante is in de relativiteitstheorie, zo is de herinnering ook niet constant; zij is een functie van 1) de herinnering zelf en de wijze waarop deze verandert in de tijd, en 2) de bezitter van de herinnering en de wijze waarop deze verandert in de tijd.
Zo is in de bovenstaande figuur de herinnering voorgesteld als een vijfhoek. In positie 1. wordt de herinnering ‘waargenomen’ al een veelhoekig, complex voorwerp. In positie
Hersenverweking
Door infarcten aangetaste massa als in melk geweekt oud brood, waardoor nog een enkele ader bloed doet stromen als die overbelaste rioolpijp die zwoegend een nauwelijks vloeibare massa drek naar de bevrijdende monding in de rivier stuwt om daar bevrijd van de benauwenis zijn blobberende inhoud uit te braken.
‘Vuurtje?’
‘Moet nog rijden’.
Het schouwspel duurt een kwartier en zij rookt in die tijd vijf sigaretten, de een met de ander aanstekend als de spreekwoordelijke kettingroker, en de peukjes tussen duim en wijsvinger wegschietend in de kolkende lavastroom die voor hun langstrekt.
‘Waar is de waterpomptang?’
‘In de auto’.
Geen zin hebbend zich om te draaien en de auto open te maken, probeert ze met haar handen de schroef op het luik aan te draaien, maar haar vinger glijden af op het roestige ijzer. De ondergaande zon verlicht haar verrichting. Hij blijft staan staren in de rode lichtbol. Overeenkomstig hun afspraak. Maar ze vloekt en loopt dan toch naar de auto en doet de achterklep open. Ze schuift de dwerg in zijn zuidwester opzij en graait tussen het gereedschap tot ze de waterpomptang te pakken heeft. Als ze de bek van de tang bekijkt ziet ze haar tandarts voor en voelt het metaal in haar mond. Het kraakt. Hij trekt aan haar kaak, maar haar hoofd schudt mee. Met zijn andere hand drukt hij haar tegen haar voorhoofd tegen de stoel en wrikt weer met de tang in haar mond. Dan schiet de kies los en de tang ketst tegen haar boventanden. Ze vloekt en voelt het bloed in haar mond. De tand…
Vorige week had ik een afspraak in IJmuiden om af te stemmen over mijn tentoonstelling in de bibliotheek. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om een rondje door het havengebied te lopen. Het valt me opeens op dat het havengebied van IJmuiden een beetje zijn ruwe uiterlijk begint te verliezen. Op een stuk braakland bij het Sluisplein verrijst een appartementencomplex. De sluizen zelf zijn vernieuwd en hebben veel van hun betonpatina verloren. Het oude Havengebouw aan de Halkade is gesloopt. In het dal bij de Margadantstraat is een bedrijventerrein gebouwd. Gelukkig heeft het oude pakhuis op de hoek van de 4e Havenstraat, waarin nu Kapteijn zit, de dreiging van sloop doorstaan en is het bij een verbouwing gebleven.
Ik denk even dat ik lijd aan aan wat in het Engels met de term Industrial Nostalgia wordt aangeduid, en waarvoor ik geen Nederlandse vertaling kan vinden (en waarvoor vreemd genoeg nog geen Wikipedia-artikel bestaat). Maar nostalgie suggereert echter een emotie, maar het gaat mij er meer om dat zo weinig mogelijk van dit typerende unieke beeld verdwijnt en niet is vastgelegd voor het plaatsmaakt voor een vooralsnog onduidelijke typologie.
De eerste dag rijden we naar een waterval. We parkeren bij een zalm- en steurkwekerij. De parkeerplaats bij het begin van de trail staat vol met auto’s – het is zaterdagmiddag. We drinken koffie bij de giftshop van de kwekerij, die de naam “Herman” draagt. In de winkel liggen mokken waarop een enorme steur te zien is, met daaronder groot de naam Herman.
We wandelen door het park van de kwekerij, langs zwembaden vol kleine en grote vissen. In een laag gebouwtje, waar je via een paar treden naar beneden loopt, trekt een reusachtige steur zijn rondjes in een aquarium—Herman? Hij heeft een paar meter om rechtuit te zwemmen, maar moet dan alweer keren. Als een onrustige leeuw in een te kleine kooi zwiert de vis die we dan maar Herman noemen rusteloos heen en weer. Zwemt hij langs het raam, dan vallen zijn biefstukrode, gerafelde kieuwen op; ze wapperen als de flarden van een oude vlag.