Rugzakwandeltraining

In september ga ik een week wandelen met mijn dochter. We moeten een beetje trainen dus wandelden we vorig weekend een stuk. Met een gevulde rugzak om het een echte training te maken.

Ik vul de rugzak thuis met een kilo of zes aan kleding, nog wat losse spullen zoals batterijen, regencape en water. Ik haal mijn dochter op. In de auto appt ze me.

‘WTF is dat? Anderhalve maand fucking droog en dan dit!’

Met een screenshot van Buienradar met blauwe heuveltjes die regen voorspellen.

We rijden naar Bergen aan Zee. Hier hebben we een aardige route gevonden.

Op de parkeerplaats begint het inderdaad te spetteren.

‘Kan nooit lang duren,’ zeg ik optimistisch.

We doen een jasje aan tegen de regen, tillen de rugzakken op onze rug en lopen het bos in. Een minuut of tien later stopt het gespatter. Het blijft bewolkt maar de temperatuur loopt op. Een kwartier verder hebben we het alweer zo warm dat we stoppen om onze jassen op te bergen.

Het Heidepad is een wandeling die vooral door het bos tussen Bergen en Bergen aan Zee loopt, en die hier en daar een pluk heide aandoet.

Tegen een uur of tien eten we wat op een bankje. De eerste mede-wandelaars komen voorbij. Een handjevol, het is nog vroeg. Een stel van rond de 65 in hardlooptenue komt het bos achter ons uit. We horen ze aankomen: zij zijn druk in gesprek met elkaar. De vrouw dribbelt een stukje voor de man uit, gaat dan weer over in wandelpas. De man haalt haar in en het gesprek gaat verder. Dan dribbelt de man een stukje vooruit, en gaat weer wandelen. De vrouw haalt hem weer in. Het gesprek wordt hervat. Zo gaat dat een paar keer door terwijl het stel over het heideveld voor ons oversteekt. Dan verdwijnen ze over een heuvel in het bos.

We doen onze rugzakken weer op onze rug en lopen het veld op. Het begint weer te spetteren. In de bomen waarin het stel zojuist verdween begint het bladerdak te ruisen door de regen. De regen wordt dikker. Aan de overkant stopt het even, maar later, als we tussen de bomen lopen begint het weer te regenen, nog harder dan net.

We lopen nog even door maar proberen toch even te schuilen en we staan een minuut of vijf onder een boom. Het ziet er echter niet naar uit dat het snel droog wordt, dus we wandelen maar verder.

De rest van de wandeling lopen we in de regen. Door echte plassen. De wandelaars die we nog tegenkomen hebben een kleurige paraplu boven hun hoofd, beter voorbereid op neerslag dan wij.

Zeiknat komen we bij de auto. Verwarming en airco aan en opdrogen.

Wachtkamer 2: Röntgen en coronalijnen

Te hard gefietst, sta ik hijgend in wachtkamer 2 van Radiologie. Ik hang mijn jas aan de kapstok die bijna omvalt onder het gewicht van mijn winterjas met pocketcamera in de zak.

Ik kijk naar de versleten rode coronalijnen over het groene linoleum. Niet weggehaald, zodat ze hier gelijk weer de anderhalve meter kunnen invoeren. Ik hoop het niet. Dat was wel genoeg voor een mensenleven.

Ik ben te vroeg met mijn harde fietsen, maar toch word ik al voor mijn tijd opgehaald voor de foto van mijn elleboog.

Ik mag gaan zitten in een schemerdonkere kamer met een hokje met grote glazen. Een jonge verpleegkundige schuift onder mijn elleboog een elektronisch plateau dat lijkt op een iPad. De batterijen blijken leeg. De verpleegkundige loopt naar het hokje en vervangt de batterijen.

Ze geeft me aanwijzingen hoe ik mijn arm moet leggen en verdwijnt achter het glas van het hokje. Twee foto’s, een van een uitgestrekte arm en een van een gebogen arm.

Ik mag terug naar wachtkamer 2 om te wachten op de echo van mijn schouder.

Dat duurt ook niet lang. De radioloog scant mijn ontblote schouder met het apparaatje waarmee ook baby-echo’s worden gemaakt. Inclusief de gel die niet over mijn buik maar op mijn schouder wordt aangebracht.

Op de foto zijn kalkafzettingen op de kop en extra vocht onder het schoudervlies te zien. Toch ook maar een foto, zegt de radioloog.

Naar wachtkamer 1. Even later hetzelfde donkere fotokamertje weer in. Ik moet nu rechtop staan en mijn schouder tegen de muur gedrukt houden.

De uitslag ligt deze week bij de huisarts dus daar een afspraak maken.

Hard terugfietsen en thuis uithijgen.

(15 december 2025)

Stoppen met huilen

Alkmaar, vreemde deur

Een meisje loopt huilend de speeltuin uit.

‘Stoppen met huilen!’ roept vader die achter haar aan loopt.

‘Doe ff rustig,’ zegt de moeder met gedempte stem.

Het meisje huilt nog.

‘Stoppen met huilen!’ roept vader nog eens naar het meisje.

‘Doe ff normaal,’ sist de moeder naar de vader.

Het meisje klimt tegen haar moeder op.

‘Je moet stoppen met mij corrigeren, Lies. Ze moet gewoon luisteren. Het gaat maar door.’

Verderop, bij een viaduct, maak ik een foto van jongens die in een hek klimmen. Ze komen naar me toe. Ik moet de foto van ze verwijderen. Dat gaat niet, zeg ik. Waarom maak ik foto’s? Ik leg uit wat ik doe. Dat ik fotograaf ben. Ah, dat is een heel ander verhaal.

Alkmaar, jongens hangen aan een hek langs de spoorlijn

‘Ik kom toch niet in je boek, hè?’ zegt de jongen die net nog zoveel branie had.

‘Vast niet,’ zeg ik, maar het zou zo maar kunnen van wel.

Straat in Alkmaar

(Alkmaar)

Luxe appartementen in Alkmaar

Rondje Lankies: Eggleston en honden

Om een uur of drie breekt de zon door en werpt lange schaduwen over het land. Naar buiten en een rondje foto’s maken.

Op de parkeerplaats bij Egmond aan Zee tref ik beelden bij een marktwagen die mij aan Eggleston doen denken. Ik maak foto’s van dit niets.

Eigenlijk is Eggleston wel de leukste van zijn generatie. Niet qua persoon, maar qua instelling. Hij mist die bloedserieuze houding. Vragen om foto’s uit te leggen zijn stupid questions. Een foto is een foto. Eggleston lijkt maar wat te doen. Dat brengt uiteindelijk toch het meest verrassende beeld voort. Sommigen ergeren zich aan wat zulke voor de hand liggende beelden lijken.

Ik loop langs de volkstuintjes, de Lankies. De huisjes en de tuintjes in de duinen hebben bijna het hele jaar onderhoud nodig. Als de boel niet onder water staat, moet er grond of mest aangevoerd worden. Op het zilte duinzand groeit alleen distelachtig onkruid uitbundig.

Ik passeer een dame die haar hond strak tegen zich aan trekt.

‘Blijf maar kaaaaalm,’ zegt ze. Tegen de hond.

Mijn hond, een border collie, loopt los. Ze heeft geen interesse in andere honden en loopt met een grote boog om de vrouw met hond heen.

Af en toe stop ik om een foto te maken. Als ik bij een schuurtje voorovergebogen sta, duikt een meisje naast me op. Ze kijkt verbaasd hoe ik een vlag probeer te fotograferen.

Verderop gaat een labradoedel plat op zijn buik liggen, middenop het pad, als hij mijn hond ziet aankomen. Het baasje sleurt aan de riem. De labradoedel laat zich niet wegslepen. Mijn border collie gaat er weer in een grote boog omheen. De labradoedel staat teleurgesteld op.

Een hardloopster haalt me in en passeert me. Een Duitse herder dribbelt achter haar aan. Verderop staat de vrouw met de hond die ‘Kaaaaalm’ moet blijven. Ze trekt de hond tegen zich aan. De hardloopster passeert. De herder volgt, negeert de vrouw en de hond.

Op de parkeerplaats staat nu een auto naast de mijne geparkeerd. Een man staat naast de auto. Hij kijkt boos als hij mij ziet aankomen met mijn onaangelijnde hond. Hij doet de achterklep van zijn auto open. Twee honden springen naar buiten. Hij graait naar de riemen van de honden. Voortgetrokken door de honden loopt hij weg. Hij passeert een oude vrouw met een klein poedeltje. De honden grauwen naar het poedeltje. De man wordt bijna omvergetrokken en vloekt. Geeft een van de honden een schop.

De oude vrouw loopt langs me. Kijkt me even aan. Haar hondje volgt haar, onaangedaan.

Nieuwjaar

In de nieuwjaarspolder heerst nat, koud en wind. De dunne vochtige wind kruipt door de kieren van mijn jas in mijn nek. Na tien minuten klemt mijn spijkerbroek zich klam tegen mijn bovenbenen aan.

Op deze vlakte van niets komt iemand me tegemoet. Een vreemde driehoekige vorm steekt boven de vlakte uit. Als de persoon dichterbij is gekomen zie ik dat het een vrouw is die een enorme sjaal om haar hoofd en bovenlichaam heeft geslagen. Ik groet haar, ze knikt. In haar hand een witte rozenkrans. Misschien is ze op weg naar het huis verderop. Maar als ik omkijk, loopt ze er voorbij. Waarheen? Het putje?

Een hardloopster passeert me. Ze draagt een kort jasje dat bij het rennen opwipt. Blote rug. Koud.
Langs de straat liggen stapels zwartgeblakerde dozen. Als kadavers van het vannacht afgestoken recordvuurwerk. In de berm ligt een bloederig karkas van een meerkoet. Onsmakelijk. Zelfs de hond loopt er met een bocht omheen.

Ik maak foto’s onderweg, die ik thuis onbesuist kwijtraak. Bij het importeren ruk ik ongeduldig de SD kaart te vroeg uit het slotje. Ik formatteer de kaart. Te laat zie ik dat de import nog bezig was. Geen onvergetelijk beelden kwijtgeraakt, maar wel suf.