Korte verhalen en literaire teksten door Niek de Greef. Originele fiction, persoonlijke verhalen en experimentele proza in Nederlands en Engels.

Finderlohn

Langs de route hangen gelamineerde A4’tjes aan lantaarnpalen en hekjes. ‘100 euro Finderlohn’ voor de vinder van de Duitse trouwring.

De ring op de foto lijkt verdacht veel op The One Ring, de ring van de Heer van Mordor. De ring, niet in Dol Guldur, maar hier in het heuvelland van de Limburgse hobbits. Is Sauron zijn ring kwijt? Honderd euro voor de vinder!

Een jongetje gaat op zijn knieën. Ziet iets glinsteren, graaft met zijn blote handen zijn nagels stuk. Honderd euro!, hij kan niet eens bedenken wat hij daar allemaal voor kan kopen.

Een hond loopt langs en steekt nieuwsgierig zijn kop in het gat dat de jongen heeft gegraven. De hond snuift, wroet in het gat, steeds driftiger. Het gat wordt groter en dieper. Een rode doek wordt zichtbaar. De hond graaft door, aarde opwerpend. Hij zet zijn tanden in de doek, rukt, en graaft weer. Even later trekt de hond de doek met een ruk uit het gat. Het is een zakdoek, en rode boeren zakdoek met donkerblauwe paisley ornamenten.

‘Hier!’ roept de jongen tegen de hond. De hond legt de zakdoek voor hem neer.
In het midden van de zakdoek zit een knoop. De stof is om iets glinsterends geknoopt.

‘De ring?’, denkt de jongen.

Met zijn nagels weet hij de knoop los te maken en trekt de zakdoek uit de ring. Hij bekijkt de ring van dichtbij. In het goud zijn zilveren putjes aangebracht waarin kleine diamantjes flonkeren. De jongen steekt zijn wijsvinger in de ring.

jongen en hond ontdekken ring

Schuifdeuren

De poes komt verbaasd aanlopen, blijft voor de openstaande schuifdeuren staan en snuift. Hij kijkt de kamer rond alsof hij niet kan geloven dat de deuren open staan. Stapt dan toch naar binnen.

Het zachte geraas van de snelweg een paar kilometer verderop dringt door de huiskamer binnen. Ook het gekoer van de duif in de coniferen dringt door, een vliegtuig dat, hoog nog, daalt en met een kreun zijn flaps neerlaat. De koelte van de zomerochtend stroomt door de kamer. De zon, laag nog, bleekt de hemel wit.

Het wordt een warme dag. Rossig licht zet de tafel in een vaal-oranje gloed.
Het leidt me allemaal op een niet onprettige manier af van mijn boek.

U bent in Alkmaar

Wit bordje met tekst aan gordijn boven ziekenhuisbed

Aan de gordijnrails van het ziekenhuisbed hangt een bordje.

‘U bent in het ziekenhuis van Alkmaar’.

De vrouw in het bed murmelt met gesloten ogen.

‘Heel veel sterkte met het verwerken van dit verlies. Ik hoop dat je net zo veel mooie herinneringen hebt aan X als ik.’

Het is even stil.

‘Stugge handen ruiken naar terpentine, zwarte randen van de rubber seal, rode krassen van de conifeer die zijn taaie takken met tegenzin pas loslaat als hij je armen heeft kunnen vastgrijpen. Sterke koffie, boterhammen met kaas die slap is van de warmte.’

De vrouw is onrustig. Wrijft over de slang in haar neus.

‘Wit brood, biefstuk erop, in een laagje jus uit de pan die op de kachel verder pruttelt.’

Het apparaat naast haar begint te piepen. Zusters in witte uniformen schieten de kamer in. Het bed met de vrouw erin wordt weggereden. Het bordje aan de gordijnrails bungelt na.

Hard werken

Voor me loopt een hond die met zijn baasje uit wandelen is. De hond moet zijn baasje meetrekken. Als er een vreemde hond in de buurt komt moet hij woest blaffen om de suf kijkende bordercollie op afstand te houden. Zijn baasje trekt de riem kort dus hij moet ook grauwen naar de andere hond. Het baasje laat de riem vieren, dus blaft de hond de andere hond na.

‘Het is hard werken’, zegt het baasje tegen een man op een bankje.

Het einde van de wereld

Holysloot is zo’n beetje het einde van de wereld. De wegen naar Holysloot eindigen in Holysloot.

Ik loop door het dorp tot het einde van de weg dat sneller komt dan ik verwachtte. Het pontje naar de overkant heb ik niet gezien. Ik kijk op het kaartje op mijn telefoon, maar er gaat al een raam open van een houten huisje langs de weg.

‘Wil je met het pontje?’ vraag een dame die uit het raam buigt.

‘Ja, dat klopt. Kunt u me helpen?’

Ze wijst naar de andere kant van de weg.

‘Ik kom er aan!’

Ik loop naar het grasveld en zie nu de bordjes die ik net volslagen heb gemist.

Pinnen kan en ik reken af bij de dame. We stappen het pontje op, een platbodem met een buitenboordmotortje. Er staat een tentje in het grasveld bij de pont.

‘Heeft u een kampeerder?’ vraag ik.

‘Die is van ons. We sliepen er in. We zijn ons huis aan het verbouwen. Maar het was niet te doen met die ganzen ‘s nachts. We slapen weer binnen.’

‘Echt? Maken die beesten zo’n herrie.’

‘Ja, heel erg. Je bent echt een met de natuur hier.’

Er staat een redelijk windje dat het bootje doet deinen.

‘Een mooie dag zeg, maar er staat wel wat golfslag. We redden het tot windkracht vijf met het bootje.’

‘Ga je vogels fotograferen?’ vraagt ze.

‘Niet speciaal. Ik maak overal foto’s van.’

De dame legt behendig aan en we wensen elkaar een mooie dag.

In de lucht hangt een buizerd. Hij krijst fel en hoog. Ik loop het veld in.

Bij een zwartgeteerd schuurtje zwermen zwaluwen door een spleet in het raam in en uit. Als ik blijf staan worden ze woedend. Ze laten hun indrukwekkende behendigheid zien met luchtacrobatiek die met het oog nauwelijks te volgen is.

Even later bereik ik de dijk bij Uitdam. Hier staan veel BMW’s en Porsches langs de weg.

Het werk aan de dijkverzwaring heeft het wandelpad opgeslokt en ik moet langs de weg lopen. Op de nieuwe, nog karig begroeide dijk staat een bordje: ‘Leeflaag’. Ik heb een nieuw woord geleerd.

Bij Barnegat vind ik het wandelpad het land in terug. Ik worstel honderd meter door het riet, maar er is geen doorkomen aan. Ik loop terug en loop verder langs de weg. Met een ommetje vind ik weer de doodlopende weg naar Holysloot, het einde van de wereld.

Kreil

kolhorn
Barsingerhorn – verkrijgbaar als fine art print

Aan het eind van de Wadweg ga ik eigenwijs niet naar de overkant, want daar wandelde ik vorige week al. Voor straf loop ik anderhalve kilometer langs de autoweg, op een fietspad weliswaar.

Kalkoenen en paarden lopen los.

Her en der liggen vogellijkjes. Buizerds?

De Mieldijk is een mooi weggetje.

Ik loop over de dijk met de naam Kreil. Hier hebben alle mensen paarden. Bij een flauwe bocht rijdt een Maserati me bijna van de sokken. Onderaan de dijk is het Wilde Westen. Bovenop de dijk ben je vogelvrij.

Frik

frik heerhugowaard

Ik wandel door De Noord, tussen de kassen door.

De mensen groeten vriendelijk, maar verwonderd. Er komen hier niet vaak wandelaars, vermoed ik. Het is niet het aantrekkelijkste stukje Nederland.

Bloemen worden hier gekweekt, maar er is ook een zeewierkwekerij.

Ik kom in het gehucht met de prachtige naam Frik.

De route die ik in gedachten had, zou me met een lus terug door hetzelfde gebied moeten brengen, maar ik besluit een andere route te nemen. Het landschap van rechte wegen, afgeperkt door kassen, werd me na een kilometer of zeven te benauwend.

Een auto stopt langs de weg. Een man stapt uit en begint over te geven.

Lang verhaal

Op een dag viel mijn gehoor uit. Mijn vrouw stond in de deuropening en zei iets tegen me.

‘Kun je iets harder praten’, zei ik, ‘ik versta je niet.’

Ze zei iets tegen me. Ik keek haar aan.

‘Hou je me voor de gek?’

Ze liep naar me toe en klapte in haar handen. Dat zag ik, maar dat hoorde ik niet. Ik knipte met mijn vingers. Ergens in mijn lichaam voelde ik een tik, maar horen deed ik niks.

Je moet naar de huisarts, schreef mijn vrouw op een briefje.

Ik knikte. Ze belde.

Even later zat ik bij de huisarts.

‘Wat heb je gedaan?’ schreef ze op een briefje en keek in mijn oor.

‘Niks’, zei ik, ‘zie je iets?’.

‘Ziet er normaal uit. Heb je iets vreemds gegeten?’

‘Niet dat ik weet’, zei ik.

Ze keek in mijn neus.

‘Hmm’, schreef ze, ‘ik pak even een pincet.’

‘In mijn neus?’ zei ik.

Ze knikte en rolde haar stoel naar een kastje langs de muur. Uit een laatje viste ze een lange pincet. De stoel rolde weer terug.

‘Dit kan even naar voelen’ schreef ze.

Ze duwde mijn hoofd tegen de hoofdsteun. Aarzelde een moment. Ze stak de pincet in mijn neus.

Achterin mijn ogen schuurde iets. Langzaam trok ze iets uit mijn neus. Het leek op de punt van een zakdoek. Het kriebelde achterin mijn keel. Ik moest hoesten. De hoest drukte een klont door mijn neus. De klont kletste in het metalen bakje onder mijn kin.

‘Wat is dat nou?’ zei ik.

‘Lang verhaal’, schreef ze op het notitieblok.

‘Ik kan je weer horen’, zei ik.

‘Lang verhaal!’ riep ze naar me. Ze hield de doek tegen het licht.

‘Je hoeft niet zo te schreeuwen.’

Oortjes

Bovenop de heuvel zit een man op een bankje. Hij leest een krant. De hond snuffelt en de man grijpt de gelegenheid aan om me aan te spreken. Hij doet me denken aan Les Claypool van Primus: klein brilletje, baardje, bolhoed. Hij draagt een drollenvanger, zo’n broek die tot net over de knieën reikt en aan de onderkant is vastgemaakt met touwtjes net boven een paar enorme kuiten.

“De wereld vandaag, wat een puinhoop. Poetin voert oorlog. Trump maakt een chaos van zijn land en de rest van de moderne wereld.”

‘Sorry?’ zeg ik.

Hij kijkt me aan en wijst op de witte kommaatjes in zijn oren.

“Netanyahu, … holocaust, … het Palestijnse volk, … Wilders, Poetin, … religieuze ideologie, …”

Opeens is hij weer rustig. Hij vouwt de krant op, tikt deze vriendschappelijk tegen de flank van de hond. Ik verwacht een flikflak en een high five, maar hij wandelt de heuvel af. Fluitend.

Uit zichzelf

Holset - Genoveva beeldje

Het restaurant-café in Holset is al geopend, blijkt na enig aandringen. We worden uiterst vriendelijk naar het terras begeleid.

‘Willen jullie gewone koffie?’

‘Eh, nee … Cappuccino kan dat ook?’

‘Ja, dat kan wel.’

De jongen wil weglopen.

‘Jullie hebben ook vlaai zag ik’, zegt A.

We hebben net een flinke wandeling achter de rug. De jongen draait zich weer naar ons.

‘Ja, we hebben vlaai. Maar moet ik even kijken welk soort vlaai we nog hebben.’

‘En apfelstrudel, zag ik?’

‘Ja, we hebben ook apfelstrudel denk ik.’

Even later zet hij twee cappuccino’s op tafel.

‘We hebben appel- en abrikozenvlaai.’

‘Abrikozenvlaai, graag.’

‘Met slagroom?’ vraagt hij, uit zichzelf.