‘Stoppen met huilen!’ roept vader die achter haar aan loopt.
‘Doe ff rustig,’ zegt de moeder met gedempte stem.
Het meisje huilt nog.
‘Stoppen met huilen!’ roept vader nog eens naar het meisje.
‘Doe ff normaal,’ sist de moeder naar de vader.
Het meisje klimt tegen haar moeder op.
‘Je moet stoppen met mij corrigeren, Lies. Ze moet gewoon luisteren. Het gaat maar door.’
Verderop, bij een viaduct, maak ik een foto van jongens die in een hek klimmen. Ze komen naar me toe. Ik moet de foto van ze verwijderen. Dat gaat niet, zeg ik. Waarom maak ik foto’s? Ik leg uit wat ik doe. Dat ik fotograaf ben. Ah, dat is een heel ander verhaal.
‘Ik kom toch niet in je boek, hè?’ zegt de jongen die net nog zoveel branie had.
‘Vast niet,’ zeg ik, maar het zou zo maar kunnen van wel.
Om een uur of drie breekt de zon door en werpt lange schaduwen over het land. Naar buiten en een rondje foto’s maken.
Op de parkeerplaats bij Egmond aan Zee tref ik beelden bij een marktwagen die mij aan Eggleston doendenken. Ik maak foto’s van dit niets.
Eigenlijk is Eggleston wel de leukste van zijn generatie. Niet qua persoon, maar qua instelling. Hij mist die bloedserieuze houding. Vragen om foto’s uit te leggen zijn stupid questions. Een foto is een foto. Eggleston lijkt maar wat te doen. Dat brengt uiteindelijk toch het meest verrassende beeld voort. Sommigen ergeren zich aan wat zulke voor de hand liggende beelden lijken.
Ik loop langs de volkstuintjes, de Lankies. De huisjes en de tuintjes in de duinen hebben bijna het hele jaar onderhoud nodig. Als de boel niet onder water staat, moet er grond of mest aangevoerd worden. Op het zilte duinzand groeit alleen distelachtig onkruid uitbundig.
Ik passeer een dame die haar hond strak tegen zich aan trekt.
‘Blijf maar kaaaaalm,’ zegt ze. Tegen de hond.
Mijn hond, een border collie, loopt los. Ze heeft geen interesse in andere honden en loopt met een grote boog om de vrouw met hond heen.
Af en toe stop ik om een foto te maken. Als ik bij een schuurtje voorovergebogen sta, duikt een meisje naast me op. Ze kijkt verbaasd hoe ik een vlag probeer te fotograferen.
Verderop gaat een labradoedel plat op zijn buik liggen, middenop het pad, als hij mijn hond ziet aankomen. Het baasje sleurt aan de riem. De labradoedel laat zich niet wegslepen. Mijn border collie gaat er weer in een grote boog omheen. De labradoedel staat teleurgesteld op.
Een hardloopster haalt me in en passeert me. Een Duitse herder dribbelt achter haar aan. Verderop staat de vrouw met de hond die ‘Kaaaaalm’ moet blijven. Ze trekt de hond tegen zich aan. De hardloopster passeert. De herder volgt, negeert de vrouw en de hond.
Op de parkeerplaats staat nu een auto naast de mijne geparkeerd. Een man staat naast de auto. Hij kijkt boos als hij mij ziet aankomen met mijn onaangelijnde hond. Hij doet de achterklep van zijn auto open. Twee honden springen naar buiten. Hij graait naar de riemen van de honden. Voortgetrokken door de honden loopt hij weg. Hij passeert een oude vrouw met een klein poedeltje. De honden grauwen naar het poedeltje. De man wordt bijna omvergetrokken en vloekt. Geeft een van de honden een schop.
De oude vrouw loopt langs me. Kijkt me even aan. Haar hondje volgt haar, onaangedaan.
Ik lees Stephen Graham uit, Het geluk van de wandelaar. Ik kreeg het boek, en het is best goed. Geschreven rond 1925, maar nog steeds leuk. Verrassend genoeg gaat het niet over specifieke wandelingen. Het zijn aparte hoofdstukjes over verschillende onderwerpen die meer met filosofie en praktische zaken van wandelingen te maken hebben. Van wandelschoenen tot notities maken.
Inhaalslag met posts vandaag. Er stonden er een aantal klaar, maar deze week stond in het teken van editen van mijn mainframeboek. De laatste twee reviewers hadden hun commentaar ingeleverd en ik moest de volgorde van een aantal hoofdstukken omgooien en een hoofdstuk opsplitsen.
Schreef ook van de week nog een populair-wetenschappelijk stuk over quantum computing.
Mijn notitieboekjes zijn lange tijd een chaos geweest (en nog steeds wel een beetje). Ik wisselde van boekje, maakte onregelmatig aantekeningen, sloeg soms maanden over.
Het was even zoeken daarom om te vinden dat ik op deze dag in 2016 het volgende schreef. Ik was toen in de Verenigde Staten voor werk.
De kamer van het Hilton Double Tree is groot. Een soort keukentje, een zitje met een tv-toestel, en een slaapkamer met een tv-toestel, te bereiken via louvre-deurtjes. Standaard badkamer met uitzicht over een meer.
Gisteren gegeten in Champps, een typisch Amerikaans restaurant. Groot, hoog, vierkante ruimte met heel veel tv-toestellen aan de muur, ik denk wel 20.
Ik bestel de pulled pork, de regionale specialiteit. Ik las er voor het eerst over in Michael Pollan’s boek Een pleidooi voor echt koken. Het boek gaat o.a. over barbecue-specialiteiten in de Verenigde Staten. Varkens worden urenlang (dagenlang?) in de BBQ gegaard.
Ik kan geen foto’s van deze dag vinden, moet ik tot mijn schande bekennen. Wel een van de dag daarvoor. Voor we vertrokken moesten we op Schiphol ge-de-iced worden.
Ik stap uit en open het achterportier. Ik haal mijn camera uit mijn rugzak. Kinderen zwermen langs me heen. Ik schat ze tussen de tien en vijftien jaar oud. Ze doen een spel bij de stenen put op het midden van het pleintje. Hun spel werpt stofwolken op in het droge gravel van het pleintje.
Ik leg mijn camera op een statafel naast me. Ik draai me om en zoek in mijn rugzak naar batterijen. Iemand spreekt me aan en ik raak afgeleid. Als ik me weer omdraai is mijn camera verdwenen. Ik kijk om me heen, maar niemand heeft oog voor me. Ik sta daar een beetje verdwaasd te bedenken wat ik zal doen. Ik merk dat er nog iets weg is, maar kan niet bepalen wat het is.
Ik maak me niet druk over de verdwenen camera. Kennelijk heb ik nog een reserve camera, waarmee ik opgewekt op pad ga.