Berichten en notities van Niek de Greef tijdens zijn reizen. Reflecties en observaties van wandeltochten, fotowalks, hikes in de stad en op het platteland en trip in het buitenland.
We gaan op weg naar Himeji, waar een van de mooiste kastelen van Japan staat. Het is een uur reizen met de trein vanuit Osaka. Inmiddels beginnen we de ondergrondse stad steeds beter te begrijpen. Je begrijpt het pas als je het ziet. De treinreis is leuk. We genieten van het geboemel door het Japanse landschap.
Het weer is opgeklaard. Bij het uitstappen zien we het kasteel meteen liggen: Himeji jo, ook wel de witte reiger genoemd door zijn elegante vorm. Het ligt er heel fraai bij, maar de drukte is overweldigend. Er zijn nog tickets, maar het is te veel. We lezen dat het aantal tickets gemaximaliseerd is op 15000 (!). We bekijken het mooie kasteel van de buitenkant, en nemen wat foto’s.
Nu we wat tijd over hebben in ons schema bezoeken we Engyo ji, een tempel iets ten noorden van Himeji, uit het jaar 966. De kabelbaan naar de berg waarop de tempel ligt blijkt stuk, dus wandelen we zelf de berg op. Het is een bijzondere wandeling, langs een smal paadje. Onderweg worden we begeleid door kleine bodhisattva beeldjes en een bordje van de berg Shoshazan zelf, die ons welkom heet. Het is heerlijk rustig, we komen amper mensen tegen. Behalve een stel lachende Japanse meiden, die vrolijk kwekkend en vol energie de berg op rennen.
De tempel ligt midden in het bos, zonder de felle kleuren van Nikko, maar het houtsnijwerk en de omvang zijn indrukwekkend. En vooral: de stilte. Een wereld van verschil met het drukke kasteel beneden. Het mooiste blijft toch wat je onverwacht vindt.
Dit is de zesde aflevering van de serie ‘912 uur Japan’.
Laatste dag op Terschelling. We ruimen het appartement op en laden onze spullen in de auto, klaar om over te steken naar Ameland. Eilandje hoppen van Terschelling naar Ameland.
Van Terschelling naar Holwerd
Boodschappen bij Jumbo in Formerum, de enige aanzienlijke supermarkt van het eiland. We wandelen een rondje in het bos bij de Bessenschuur. Plus koffie met een pecancranberry puntje (review mode: 4 sterren). Elektronische niets-aan-de-hand muzak met Spaanse inslag op de auditieve achtergrond.
Probleemloze terugtocht naar Harlingen, afgezien van kinderachtige ergernis aan een niet opgevoed hondje dat elke vijf minuten even moet blaffen.
We rijden over de vlakte van Noord-Friesland naar Holwerd. Dachten we dat de kop van Noord-Holland vlak was, maar hier hebben ze de overtreffende trap van vlakheid. Niets; begroeiing boven 1 meter hoogte is beperkt tot de directe omgeving van de boerderijen.
De haven van Holwerd
De haven van Holwerd bestaat niet. Er is een pier aangelegd door de kwelders. Van wel een kilometer lengte, dwars door het wad. Op de kop van de pier is de aanlegsteiger van de veerboot. We zijn te vroeg en er valt hier niets te beleven, dus we rijden terug naar Holwerd dorp.
In Holwerd is het ook niet druk. Het is een dorpje dat je laat verdwalen in smalle weggetjes en dat je daarbij verwart met eenrichtingsverkeer. Tot twee keer worden we door een strenge dame in een auto gewezen op een verboden-in-te-rijden-bord. Vingertje omhoog, wijzen over haar schouder naar het verbodsbord. Die hadden we ook wel gezien, maar we proberen uit dit doolhof te ontsnappen.
We wandelen uiteindelijk langs de dijk, half door de bagger, half door het gras. Als we zijn uitgewandeld rijden we de pier maar weer op. In de wachtruimte voor de veerboot is niets te doen. Er is een koffieautomaat en een snoepgoedautomaat waarmee de behoeften van de wachtende inwendige mens op minimale wijze kunnen worden verzorgd.
Bij de aanlegsteiger vaart een baggerscheepje heen en weer dat de haven op diepte houdt. (Ik zoek terug in ons huisje op het internet naar ‘baggerschip huren’ en je komt in een prachtige nieuwe wereld van baggertoestellen terecht, van nieuw tot tweedehands. Een rabbit-hole dat ik maar laat voor wat het is.)
Het aan boord gaan gaat hier wat losser dan op de boot naar Terschelling. Ook het van boord gaan: een beetje zoek-het-maar-uit-het-komt-wel-goed gevoel. Een enorm kraanachtig apparaat op metalen rupsbanden staat schuin voor ons. We moeten er zelf maar een beetje omheen manoeuvreren om de boot af te komen.
Ameland: groene lantaarns en pizza
Het is inmiddels donker en we rijden over de autoweg naar Hollum. Langs de weg staan lantaarnpalen die een gedempt groen licht uitstralen. Beter voor de vogels, zegt het internet.
We gaan wat eten bij het lokale restaurant. Bij het ene restaurant kies je waar de kok zijn ei in kwijt kan. Bij het andere restaurant kies je waar de kok zo weinig mogelijk aan kan verprutsen. Hier kiezen we voor het laatste: pizza. Die blijkt met de hand gemaakt, met verse groente en uitstekend van smaak.
De jongen die ons bedient houdt van praten. Hij vertelt dat Jutta goud heeft op de 1000 meter, dat je prachtig het eiland kunt rondrijden op de fiets en nog veel meer.
Zonsopgang bij de vuurtoren
Een mooie zonsopgang aan de westkant van het eiland is een kadootje. We wandelen over het strand naar de vuurtoren die in 1880 is opgericht door ‘Willem III, koning der Nederlanden enz. enz. enz.’ (zie foto).
De zon piekt een klein half uurtje boven de wolken uit en zet de duinen in het oranje-roze licht. Dan nemen de wolken het weer over en bedekken de komende uren het eiland in een steeds dikkere mistlaag.
Fietsen door de mist
We fietsen naar Sjoerd voor lunch (een superbe wrap rendang van jackfruit voor mij: 5 sterren).
Via Buren en Nes, een overdadig toeristisch, maar nu totaal verlaten plaatsje, rijden we naar Hollum.
Na een halve dag vertraging zijn we dus op Terschelling beland. Het eiland voelt verlaten.
De eerste dag is het nog vreselijk koud, de dagen daarna wordt het iets warmer maar het blijft mistig, en af en toe druilerig. De Terschellingers zijn anders in de winter. Er zijn nauwelijks toeristen. De meeste winkeltjes en restaurants zijn dicht.
Gisteren wandelde ik naar West aan Zee. Het was mistig. Het zicht reikte niet verder dan honderd meter. Mijn bril beslaat, en laat zich niet drogen. Dat helpt ook niet.
In het bos ontdek ik dat Terschelling een houthakvereniging heeft. Ze leggen het gehakte hout in een keurige kring.
Het is weekend. In het hotel zagen we wat meer toeristen arriveren. Maar ze lijken zich schuil te houden. Op weg naar West aan Zee tel ik drie voetgangers, vier fietsers en een auto.
De standtent bij West aan Zee is open in het weekend. We strijken hier neer voor lunch. Een meisje een paar tafels verder heeft een Goois accent waarmee ze heel hard over zichzelf vertelt tegen haar vriendin. Als ze buiten staan zegt de vrouw aan het tafeltje naast ons tegen haar man: ‘Tsjonge, wat een kouwe kak.’ Dat hoor je niet vaak meer: de uitdrukking ‘kouwe kak’. Maar ze heeft wel gelijk.
Ik wandel door het bos terug en maak onderweg foto’s van dingen die niet bewegen. Bomen vooral.
Gisteren haalde ik een paar vakjes van het Noord-Holland Grid project in bij Koedijk. Ik parkeer onderaan de dijk, aan de kant van de polder dus. In Koedijk, heb ik wel eens gehoord, kun je op de dijk wonen, of onderaan de dijk. De mensen op de dijk kijken neer op de mensen onderaan de dijk. Volgens mijn bron, die ik eigenlijk niet vertrouw.
Ik loop richting Geestmerambacht, de recreatieplas die in de jaren zestig van de vorige eeuw werd uitgeschept. Het eerste stukje loop ik tegen een ijzige tegenwind in. Ik loop langs een fors volkstuingebied. Iedereen moet hier een tuintje hebben, reken ik grof uit, aan de hand van het aantal tuintjes en het aantal huizen. De tuintjes zijn ingepakt en wat bloot staat is vooral boerenkool en, denk ik, spruiten: lange, statige groene staken met een beetje begroeiing. Net te ver weg om het goed te kunnen onderscheiden.
Ik heb geen zin om over het fietspad te lopen en glibber over het halfbevroren pad aan de andere kant van de weg, waar ik over het water kan uitkijken. Als je geen hond hebt vertoon je je hier niet. Dat lijken de mensen te denken die ik hier tegenkom. Ze hebben wel een beetje gelijk natuurlijk. Zeker met deze wind. Wat doe ik hier?
Bij de plas aangekomen die Zomerdel heet, volg ik het pad dat Lamslik heet. Ze doen hier aan fraaie namen. Bij de brug over het Lamslik staat iemand te vissen. Ik maak nog maar een foto.
Verder langs het water, Saskevaart – ook niet slecht – tot terug aan de Kanaaldijk. Dan weer onderlangs de dijk over het Achtergraft terug naar de auto. Achtergraft betekent ‘gracht achterlangs’, zoek ik thuis uit.
In de auto heb ik het direct warm. Koud werkje, fotograferen.
Ik was ooit eerder hier in Schagen, maar toen maakte ik foto’s aan deze kant van het station. Nu wil ik de andere kant bezoeken en via de polder een rondje lopen.
Als ik geparkeerd heb en naar het tunneltje onder het spoor door loop, zie ik een kat op een brommer zitten. Heel tevreden. Ik maak voorzichtig een paar foto’s. Maar de kat beweegt niet.
Onder het tunneltje door de Dreef in. Buxushagen zijn hier een lokale specialiteit. Een brommertje scheurt langs en spuwt tweetaktgeluid en -geur.
Ik loop de polder in. Ik zie een dode eend in de berm. Het waait nauwelijks en over de poldervlakte klinkt het terugkerende thema van de blaffende hond in de verte.
Mannen stappen uit een busje en beginnen een afzetting op te ruimen. Het raampje bij de bestuurder staat open. Luid klinkt Marokkaanse muziek die me aan het geluid van de souk in Marrakesh doet denken: ritmisch, betoverend, exotisch. Maar hier in de kale polder…
Even verderop herrie op de provinciale weg. Een stoet trekkers met oranje zwaailichten schuift voorbij. Een boerenprotest?
Ik steek over, het weiland in. Een helicopter vliegt laag over en jaagt de ganzen in het veld op. De woedende ganzen weten het geluid van de helicopter te overstemmen terwijl ze laag overscheren. Ik weet net op tijd de lege batterij van mijn camera te vervangen. Dat zal je net zien. Of ik een fatsoenlijke foto heb kunnen maken vraag ik me af.
Verderop eindelijk het asfalt af, de Muggenburgerweg op, die uitloopt in een drassig dijkje. Hier wordt een nieuwe wijk aangelegd.
Dan is de pret alweer voorbij.
Ik loop door langs het spoor. Bij het station zit de kat nog steeds op het zadel van de brommer. Hij heeft zich een kwartslag gedraaid.