Vandaag lopen we de wijnroute. Elf kilometer, zegt de app. Maar al gauw begrijpen we dat die elf kilometers in Zuid-Limburg niet de kilometers zijn die we bij ons in het vlakke polderland kunnen weglopen. Hier slingert het omhoog, over paden die door regenval tot rotsige geulen zijn omgevormd. Een heel andere ervaring voor onze knieën en kuiten, en heel vreemd, de spieren op mijn scheenbeen. Hier in Nederland, door bossen met varens van een meter hoog, tropisch bijna. Langs door neerkletterend water uitgesleten paden langs de heuvels naar beneden, onze enkels verzwikkend aan de losgespoelde stenen. Tussen wijngaarden door. Solaris, Cabernet Cortis, Johanniter, Souvignier Gris, Auxerrois en Chardonnay, meest onbekende druiven waarvan we later flessen halen bij een licht-elitaire winkel die prachtig gelegen is op de rand van een heuvel. Met pijn in de benen proeven we een glas – dat mag bij uitzondering want eigenlijk moeten we daarvoor bij het smaaklokaal in het dorp zijn, en een kan nog net want we zijn met de auto.
Het wordt een regenachtige dag, vertelt het weerbericht. Maar ik ga niet de hele dag binnenzitten. Ik stippel een wandeling uit, iets meer dan twee uur wat precies moet passen tussen de regenbuien die Buienradar voorspelt. Ik krijg drie man mee.
We lopen door de duinen naar het zuiden en daarna de polder in. Daar begint het te regenen. De regen houdt aan tot in Midsland. In het dorp is een toeristisch overblijfsel van een veemarkt aan de gang. Rond de kerk staan koeien en schapen, maar niet erg veel. Een bandje speelt country & western covers. In de Dorpsstraat hebben winkeliers kraampjes opgezet om lokale spullen te verkopen, vooral etenswaar. De kroegen zijn al open.
Als boer verklede eilanders in te schone overalls staan met twee of meer bierglazen in de hand ontspannen te kletsen. Sommigen hebben een doos nieuwe klompschoenen onder hun arm geklemd. Gegavi is het merk, het Nike onder de schoenklompen. Men eet op houtskool gegrilde hamburgers en vlees met saus op broodjes.
We lopen door de weilanden naar Formerum. Dan weer naar het noorden en door de duinheide terug naar West aan Zee. Dan drinken wij ook een drankje.
De conducteur wijst een ouder gezelschap de laatste vrije plaatsen in de coupe. Een van de dames lijkt conversationeel incontinent: ze praat over alles wat ze doet en maakt daar een warboel van woorden en zinnen van.
‘Ik zit lekker ruim, kan lekker lezen zo … Hoe laat komen we in Arnhem? … Bingo! Je bent in de war met gehakt … Zo! Dat hebben we opgelost … De NS gaat in de spits reizen op rustige treinen met minder zitplaatsen.’
De man is dovig en vraagt zo nu en dan wat ze zegt. Dan herhaalt ze een paar zinnen.
Een ander stel zit rechtop bij het raam en zegt niets tegen elkaar. Een man met dikke, vers geschoren wenkbrauwen maakt een puzzel in de krant. Een vrouw met dikke spataderen leest A Secret Life van Claire Tomalin over Katherine Mansfield. Ik kende Katherine Mansfield niet en googelde haar. Ze blijkt een interessant mens, lees ik op de Wikipedia-pagina over haar.
In 1909 huwde ze de tien jaar oudere musicus George Bowden om hem de volgende dag reeds te verlaten (zonder dat iemand ooit duidelijk is geworden waarom). Zwanger van een andere man verbleef ze vervolgens enige maanden in het buitenland, waar ze een miskraam kreeg, en materiaal opdeed voor haar eerste verhalenbundel. Terug in Engeland knoopte Mansfield vriendschappen aan met modernistische schrijvers zoals D.H. Lawrence en Virginia Woolf en begon een relatie met de literatuurcriticus John Middleton Murry, met wie ze 1912 en 1915 de literaire bladen Rhythm en The Blue Review redigeerde.
‘Lukt het?’, vraagt de conducteur aan de man met de puzzel. De man kijkt niet op. ‘Bijna,’ zegt hij en laat de puzzel aan de conducteur zien als bewijs.
De dame naast me is onverstoorbaar.
‘Ze eet pasta met mayo. Gaat een wildvreemde vrouw met een bord spaghetti bij haar aan tafel zitten. Er komt een scooter voorrijden. Een man met een fez op zijn hoofd stapt af, je weet wel zo’n hoedje met een pluimpje eraan, maar het blijkt een vrouw te zijn. Ze lijkt op Kluk Kluk, van Pipo de clown. Ze zegt “eet smakelijk” tegen de pasta etende dames als ze langsloopt. “Als het niet intensief is blijft het niet hangen”, zegt de vrouw van de spaghetti tegen de vrouw met de pasta met mayo.’
We zijn weer thuis na een weekje in het uiterste zuiden van Limburg met zijn on-Nederlandse heuvellandschap.
Het huis ruikt fris, naar hout. Als nieuw, maar dat is het natuurlijk niet meer, na 20 jaar. De hond verdwijnt helemaal uit zichzelf de rest van de avond in haar mand. De spullen snel opgeruimd en een wasje draaien. Pantoffels aan. In de tuin is alles zichtbaar gegroeid. Een stapeltje post dat morgen nieuwsgierig geopend kan worden. Een fijne lege koelkast.
Ik denk terug aan toen we terugkwamen van Japan en ons huis ook zo hernieuwd en uitgerust rook. Toen wilden we terug. Terug naar die cultuur, vriendelijke mensen, de subtiliteit, de frisse energie. Nu voel ik vooral weerstand tegen mijn eigen kneuterigheid.
Een haiku bevat een woord dat het seizoen aanduidt. En heeft drie regels met achtereenvolgens vijf, zeven en weer vijf lettergrepen.
Ik probeer:
Collie opgekruld Op de mat bij de schuurdeur Natte hondengeur
Geen sterke indicator, maar de natte hondengeur kan de herfst aanduiden. Allemaal geleerd van Paulien Cornelisse. Maar waar ik dat heb geleerd staat er in mijn aantekeningen niet bij. Haar boekje Japan in honderd kleine stukjes? Het boekje is uit de boekenkast verdwenen. Misschien toch gezien op tv, bij Tokidoki?