Mijn Python script kiest een random blok uit het Noord-Holland Grid Project. Vandaag: 14W-T10, Wieringerwaard-noord.
Ik zoek een route. Er loopt maar 1 weg door dit blok. Het kleinste rondje komt op 7,5 kilometer. Het rondje is een vierkantje. Vooruit dan maar. Het script heeft gesproken.
Het is te warm en veel te grijs. Geen licht en weinig contrast. Ik heb een oude Helios lens op de camera gezet. Had ik zin in. Vol open. Geen gepiel. De ‘P’ van Professional.
Ik parkeer bij de sluizen aan de noordkant van het dorp. De watertoren domineert de karige horizon. Het functionele landschap.
Wat zal ik zeggen. Het rondje was uneventful, zoals ze in het Engels zeggen. Behalve een paar blaffende herdershonden kom ik niemand tegen. Een paar auto’s en een trekker passeren me. De enorme trekker werpt de modder die nog aan zijn banden vastzit hoog in de lucht. Het is windstil. Het geblaf van de woedende herders galmt over de velden en is gedurende de hele wandeling te horen. Een doodshoofd op een vuilnisbak is natuurlijk wel een mooie vondst. Verder moet ik maar wat maken van de kale moddervlaktes.
Bij de parkeerplaats vind ik een briefje onder mijn ruitenwissers: ‘Wilt u uw auto niet zo dicht bij onze uitrit parkeren. Bedankt.’ Daar word ik wel vrolijk van. Eronder hetzelfde bericht in het Pools.
Als ik terugrijd, het is half een, begint het alweer donker te worden. Nog donkerder.
Onder een strakblauwe hemel bezoeken we Shinjuku en Shibuya in West-Tokyo. De voorjaarshitte heeft zich aangekondigd. Overal lopen mensen in korte mouwen, hoewel het voor Nederlandse begrippen nog fris is.
Hassha merodi
De deuren van de metro gaan open. Een geluid als kerstklokken klinkt op—hoog, helder, melodieus. We stromen naar binnen tussen salarymen in identieke donkere pakken en scholieren in matrozenpakjes.
Ik zeg stromen omdat het druk is, maar dit is niet de beruchte als-harinkjes-in-een-ton drukte waarmee de metro van Tokyo altijd wordt geassocieerd. Niemand duwt. Niemand staat ongemakkelijk tegen een ander aan geperst. Er is ruimte genoeg om te ademen, om je krant te lezen, om op je telefoon te kijken zonder iemands gezicht te raken met je elleboog.
Zodra de deuren dicht zijn, stopt het geluid.
Bij elke halte klinkt een andere melodie. Hassha merodi, de vertrekmelodieen. Sommige stations hebben hun eigen compositie, geschreven door lokale musici of schoolkinderen. Andere gebruiken fragmenten van klassieke muziek. Het is in elk geval aangenamer dan de doordringende pieptonen in Nederlandse treinen.
Een huwelijk in de Meiji tempel
We wandelen door het Yoyogi park richting de Meiji tempel. In het park is een hardloopwedstrijd aan de gang. Langs de hekken staan groepjes mensen te juichen. Sommigen hebben borden met tekst die ik niet kan lezen. Anderen roepen aanmoedigingen. De hardlopers lijken het niet te horen. Ze kijken strak voor zich uit, geconcentreerd, zwetend in de vroege voorjaarszon.
Met een omweg bereiken we de Meiji tempel. Dit is een recente Shinto tempel, gebouwd in 1920, ter ere van keizer Meiji en zijn vrouw. We lopen het complex door. Een groot open plein met grind. Gebouwen met donkere houten pilaren en koperen daken. Alles is groter, leger en stiller dan ik had verwacht. Toeristen fluisteren. Japanners buigen bij het altaar en klappen twee keer in hun handen voordat ze bidden.
Net als we besluiten weer verder te gaan, komt uit een van de gebouwen een trouwstoet het plein op.
De bruid draagt een witte kimono, een ingewikkeld kapsel, bedekt met een witte hoofddoek, de tsunokakushi, de ‘hoornbedekker’, lees ik later, die haar jaloerse impulsen moet verbergen. De bruidegom draagt een zwarte kimono met brede schouders. Ze lopen langzaam, bijna plechtig, begeleid door familieleden in traditionele kleding.
Een priester in witte gewaden met een hoge hoed loopt voorop. Hij draagt een staf met belletjes die rinkelen bij elke stap.
Een bediende houdt een rode parasol boven het hoofd van de bruid. Het rood steekt fel af tegen het wit van haar kimono.
De stoet loopt over het plein. Houdt stil in het midden. Vormt een halve cirkel. De priester begint te zingen of te bidden, het is moeilijk te zeggen. Het klinkt als een monotone cantilatie, oud en vreemd. Niemand in de stoet beweegt. De bruid houdt haar ogen neergeslagen. De bruidegom staat recht, met zijn handen voor zich gevouwen.
Toeristen staan langs de randen van het plein en maken foto’s. Ik ook. Het voelt ongemakkelijk, als binnendringen in een privémoment, maar niemand lijkt er bezwaar tegen te hebben. Misschien is een huwelijk in de Meiji tempel altijd half-privé, half-publiek.
Na een paar minuten loopt de stoet verder, het gebouw weer in. De priester voorop, de belletjes rinkelend, de rode parasol wiegend boven het hoofd van de bruid.
En dan is het voorbij. Het plein is weer leeg.
Manga-stijl in Shibuya
We wandelen naar het centrum van Shibuya. Dit is een van de plekken waar manga- en anime-liefhebbers elkaar ontmoeten, vaak verkleed als een van hun favoriete karakters. De winkels verkopen hier veel manga-spullen.
Bij Yoyogi National Stadium is een grote groep jongeren in manga-stijl samengekomen. Grote pruiken in felle kleuren. Uitbundige kostuums met capes, vleugels, gevechtsharnas van karton. Ze poseren voor elkaars camera’s. Ze zijn serieus bezig. Dit is geen grap. Dit is kunst, toewijding, identiteit.
Op een groot scherm zien we dat hier later op de middag een cosplay-evenement plaatsvindt. We blijven niet lang. Het is druk, luid, te veel.
Het zakmes-incident in Wakaba East Park
Later zijn we in Shinjuku Gyoen, een groot park in het centrum. De sakura bomen staan in volle bloei en het is ook hier krankzinnig druk. Het lijkt alsof heel Tokyo dit park in wil om de bloesem te bewonderen. Overal zitten mensen onder de bomen. Ze maken foto’s van de bloesem, van elkaar, van zichzelf met de bloesem op de achtergrond.
We lopen verder. De drukte wordt minder. We bereiken Wakaba East Park, een kleinere tuin.
Vriendelijke maar resolute Japanners in uniform wijzen ons naar de ingang. Deze is niet waar je zou verwachten. Er is een lange rij. We wachten.
Om het park in te kunnen, moet je door een veiligheidscontrole die niet onderdoet voor die op een internationale luchthaven. Rugzakken moeten door een scanner. Jassen moeten uit. Een beveiligingsbeambte meet onze lichaamstemperatuur met een infraroodpistool. Waterflessen worden opengemaakt en geroken.
Dan gaat een pieper af. Een drietal beveiligingsbeambten verzamelt zich rond onze rugzakken. Ze kijken naar het scherm van de scanner. Ze wijzen. Ze overleggen. Een van hen opent mijn rugzak en haalt er voorzichtig, met twee vingers, mijn Zwitserse zakmes uit.
Er ontstaat opwinding. Niet paniekerig, maar wel serieus. Een meetlint wordt tevoorschijn gehaald. Het lemmet wordt gemeten, precies, met aandacht. Ze meten twee keer. Een van de beambten noteert iets op een klembord.
Dan pakken ze ook X’s zakmes uit haar rugzak. Ook dat wordt gemeten. Er volgt een discussie in snel Japans. Ik versta er niets van, maar het is duidelijk dat de lengte van het lemmet belangrijk is. Er is een grens. We zitten daar blijkbaar net overheen of net onder.
Uiteindelijk moeten we beide messen inleveren. We krijgen een plastic plaatje met een nummer. Bij de uitgang kunnen we de messen weer ophalen, verzekert een van de beambten ons in gebroken Engels.
We lopen het park in. Het is prachtig. We bekijken de prachtige tuin en de vijvers in het fantastische licht van de laag hangende zon. Tot een bewaker ons heel voorzichtig vraagt naar de uitgang te gaan. Het park zou tien minuten geleden al gesloten moeten zijn.
Bij de uitgang halen we onze zakmessen weer op. De beambte controleert het nummer, geeft een korte buiging, overhandigt de messen. Alles verloopt zoals beloofd.
Dit is de derde aflevering van de serie ‘912 uur Japan’.
Het regent, zoals voorspeld. Een dag voor musea. Het weer is typisch Nederlands: een grijs wolkendek, miezerregen. In de ochtend blijft het beperkt tot gemiezer. We wandelen vanuit ons hotel bij station Akihabara langs het spoor naar Ueno Park.
Akihabara, het electronica walhalla
Omdat ik een adapter mis, belanden we in een van de enorme elektronicawinkels van Akihabara. Bij de ingang staat dat ze hier alles verkopen, en dat lijkt niet overdreven. De dichtheid en variatie aan kleur is overweldigend. De zintuigen worden verder geprikkeld door de muziek die over de verdiepingen schalt: zoete kindermelodieën die we in het Westen niet echt kennen. Overal staan manga- en animefiguren, mascottes en posters. Veel producten worden aangeprezen met hulp van een felgekleurd knuffeldier. Zelfs de verwijzing naar het politiebureau bij de hoofdingang is geïllustreerd met een vriendelijk manga-meisje. Ze hebben inderdaad een adapter van de Europese naar de Japanse (Amerikaanse) standaard.
Ueno Park en musea
Tegen het eind van de ochtend komen we, nog redelijk droog, aan bij het Tokyo National Museum in Ueno Park. We dwalen er een paar uur door de verschillende gebouwen. We zien tekeningen, samoeraibeelden, archeologische vondsten, oude Japanse tekstrollen, informatie over de dynastieën, het boeddhisme, woodblock prints en sierlijke kalligrafie.
Als we weer naar buiten willen, regent het pijpenstelen. Het restaurantje Yurinoko, om de hoek van het museum, zit vol met mensen die de bui benutten om te lunchen. Ook wij hebben honger. We drinken koffie om een beetje op te warmen bij een kleine kiosk en eten er een onigiri met tonijn bij.
In het wat brutalistisch aandoende gebouw waar ook het restaurant in zit, is een tentoonstelling Asian Art. We hadden het niet gepland, maar besluiten naar binnen te gaan omdat we koud en nat zijn. De tentoonstelling blijkt verrassend boeiend. Het is best druk, vermoedelijk met meer mensen die, net als wij, schuilen voor de regen.
Wanneer we verzadigd zijn, is het weer droog. We slenteren terug en verlaten het park bij de uitgang bij Ueno Station. Verderop, onder de spoorlijn, vinden we nog een leuk restaurantje.
We kwamen uit het dunbevolkte Nieuw-Zeeland, met zijn overweldigende natuur, en belandden in Tokio, een stad die overweldigt door haar cultuur. Natuur beleef je hier vooral in de parken. De fauna lijkt te worden gedomineerd door luidruchtige kraaien. In Ueno Park schreeuwen ze echoënd over de pleinen, vanuit de hoge bomen.
Het Noord-Holland Grid Project | 15 jaar systematisch door de provincie | 2009 – nu
Het project
Sinds 2009 fotografeer ik systematisch door Noord-Holland. Geen ansichtkaarten, maar het alledaagse: industrieterreinen, polders, havengebieden, nieuwbouwwijken, dorpsranden.
Het project volgt een grid: blok voor blok werk ik me door de provincie. Soms geïnspireerd, maar net zo vaak uit discipline, bij slecht weer, en zonder zin.
In de loop van december heb ik vaak weer wat tijd heb om de oplopende achterstand in het archief door te spitten en noordhollandfoto.nl aan te vullen. Werk, maar er zijn heel veel loze links op noordhollandfoto.nl die invulling kunnen krijgen.
Waarom dit project?
Noord-Holland is geen toeristisch plaatje. Het is industrie, nieuwbouw, infrastructuur. Het dagelijkse leven dat niet in reisgidsen staat.
Dit project is een poging om te documenteren wat er ís, niet wat mooi gevonden wordt. 15 jaar systematisch fotograferen, ook bij slecht weer, ook zonder inspiratie.
Het grid dwingt me overal te komen. Ook plekken waar ik anders nooit zou zijn.
→ Bekijk alle artikelen die ik er op dit blog over schreef.
De projectsite bevat is mijn visuele archief, georganiseerd per locatie. Helaas lang niet compleet. Editen en op de site plaatsen kost enorm veel tijd. Ik loop misschien wel honderden blokjes achter.
Amsterdam, 2024
Wat ik tegenkom
Ik fotografeer wat ik om me heen zie. Dit project geeft dat structuur: systematisch, via een grid.
Als je omgeving lelijk is, fotografeer dan het lelijke. Dat advies kreeg Eggleston ooit. Het ongewone in het dagelijkse, de schoonheid in het gewone of lelijke. Industrieterreinen, parkeerplaatsen, volkstuintjes, nieuwbouwwijken.
Uitgeest, 2022
Het proces
Op deze blog schrijf ik soms over het fotograferen zelf, het proces, wat ik tegenkom. Notities bij het project, bijvoorbeeld:
In 2022 bezochten we het kerstconcert in het Amsterdamse Concertgebouw. X keek haar ogen uit. Voor iemand uit de provincie was de grote stad met al zijn diversiteit een wereld van verschil. Ze verwonderde zich over tattoos, piercings en de veelheid aan huidskleuren.
De Vijfde van Mahler: een zaal vol grijs haar
In het Concertgebouw zelf werd de Vijfde Symfonie van Mahler ten gehore gebracht. Een traditie. Hier geen tattoos, piercings of donkere mensen. Een zaal vol witte mensen met grijs haar. Ik maakte foto’s.
We waren een van de eersten in de zaal en namen plaats op het podium, achter het orkest. Een stevig gebouwde bassist was zijn vingers al warm aan het spelen. Geluidloos had hij de symfonie al doorlopen, terwijl zijn collega’s één voor één het podium betraden.
De tovenaar Myung-whun Chung
Myung-whun Chung, de Zuid-Koreaanse dirigent, zo las ik later pas, dirigeerde als een tovenaar. Vooral het eerste half uur van het concert was overdonderend. Ik merkte dat ik de hele tijd geconcentreerd had zitten luisteren en kijken hoe de man het orkest bespeelde.
De ovatie na de symfonie was enorm en welgemeend. Het publiek was ongekend wild voor een klassiek publiek. Myung-whun Chung voerde een ontroerend ritueel op waarbij hij alle orkestleden afging en ze bedankte voor hun inzet.
Het contrast: van ovatie naar Smullers
Buiten was het koud en nat. Met de tram terug. Een kroketje bij Smullers op het station. Wat een contrast.
Het krantengevoel van Rob Schouten
In de trein terug las ik het essay Het krantengevoel van Rob Schouten. Het leest als geschiedenis en je ruikt de papieren krant, die ik alleen nog bij mijn moeder zie liggen. Wij hebben een krant op de iPad. Ik lees hem niet veel, beducht voor de noodzakelijke urgentie en sensatiezucht van kranten, inclusief de zichzelf respecterende kwaliteitskranten. Noodzakelijk vanwege de lezersaantallen.
Ik mijd kranten, net zoals ik nieuwsrubrieken en praatprogramma’s op televisie mijd: om hun onverteerbare, door kijkcijfers gedreven sensatiedrift.
Misschien later, als ik een zee van tijd en een dikkere huid heb, kan ik weer eens de krant lezen. Als die dan nog bestaat.