Finderlohn

Langs de route hangen gelamineerde A4’tjes aan lantaarnpalen en hekjes. ‘100 euro Finderlohn’ voor de vinder van de Duitse trouwring.

De ring op de foto lijkt verdacht veel op The One Ring, de ring van de Heer van Mordor. De ring, niet in Dol Guldur, maar hier in het heuvelland van de Limburgse hobbits. Is Sauron zijn ring kwijt? Honderd euro voor de vinder!

Een jongetje gaat op zijn knieën. Ziet iets glinsteren, graaft met zijn blote handen zijn nagels stuk. Honderd euro!, hij kan niet eens bedenken wat hij daar allemaal voor kan kopen.

Een hond loopt langs en steekt nieuwsgierig zijn kop in het gat dat de jongen heeft gegraven. De hond snuift, wroet in het gat, steeds driftiger. Het gat wordt groter en dieper. Een rode doek wordt zichtbaar. De hond graaft door, aarde opwerpend. Hij zet zijn tanden in de doek, rukt, en graaft weer. Even later trekt de hond de doek met een ruk uit het gat. Het is een zakdoek, en rode boeren zakdoek met donkerblauwe paisley ornamenten.

‘Hier!’ roept de jongen tegen de hond. De hond legt de zakdoek voor hem neer.
In het midden van de zakdoek zit een knoop. De stof is om iets glinsterends geknoopt.

‘De ring?’, denkt de jongen.

Met zijn nagels weet hij de knoop los te maken en trekt de zakdoek uit de ring. Hij bekijkt de ring van dichtbij. In het goud zijn zilveren putjes aangebracht waarin kleine diamantjes flonkeren. De jongen steekt zijn wijsvinger in de ring.

jongen en hond ontdekken ring

Lankies, Egmond aan Zee, Bergen aan Zee, Wimmenum

Door de Lankies, de volkstuintjes in de duinen bij Egmond aan Zee. Hier zijn de zandpaden voorzien van een laag hooi die het wandelen lichter maakt. Verderop in de duinen verandert het pad in droog rul zand. Zeker tegen de duinen op is het soms ploeteren.

Lankies in de duinen bij Egmond aan Zee

Bij een duinmeertje is het pad afgesloten. Een dame met een hond die eerder nog schuldig met een kromme rug op een duin zat, loopt hier bij een strandslag tussen de duinen door het strand op. Een hardloper passeert me en volgt de dame het strand op.

Standslag tussen Egmond en Bergen aan zee

Ik loop door een vaag herkenbaar pad om het meer, en kan dan het pad van de route op mijn kaartje terugvinden.

Een klein stukje over het fietspad van Het Woud naar Bergen aan Zee. Het is nog vroeg genoeg voor slierten racefietsers. Even verderop aan de andere kant van het fietspad weer de duinen in.
Valkjes bidden tegen de helle hemel. Ik staar traanogend.

Bij een meertje laat een groepje ruiters hun paarden drinken. Een mooie foto, maar ik heb iets verkeerds gedaan bij het scherpstellen, zie ik thuis. Het landschap is hier vreemd, een steppeachtig duinlandschap met afgevlakte Teletubbie-heuvels.

Bergen aan Zee vanuit de duinen ten zuiden

Zwarte plekken met berken waar de hooglanders doorheen hebben lopen baggeren en hun diepe voetstappen hebben achtergelaten. Een heuvellandschap met lage eikjes die tegen beter weten in proberen een eikenbos te vormen.

Het lage bos leidt me tot de weg naar Bergen aan Zee. Ik stop even om het zand uit mijn schoenen te kloppen. Een stukje over een tegelpad langs de weg en dan weer zuidwaarts het bos in.
Een stuk over de onduidelijke grens tussen bos en duin. Ik sla een uitkijkpunt over en dus een steile klim. Het is weer zwoegen door het zand.

dode boom in de bossen bij bergen aan zee

Tussen Wimmenum en Egmond aan den Hoef is op een stuk bollengrond een nieuw natuurgebied aangelegd. Dat kunnen wij, natuur aanleggen. En onderhouden. Is het dan nog natuur te noemen, of is het gewoon een project van PWN geworden?

Ik had meer water mee moeten nemen.

Staat uiteindelijk de teller op bijna 17 kilometer, 5 meer dan gepland.

Waarland

Parkeren bij Verlaat is even zoeken. Ook in dit minidorp moeten de auto’s al naar parkeervakken worden verwezen. Buiten het dorp zijn de bermen ervoor vrijgemaakt.

kanaal bij verlaat - foto door niek de greef

Een tweetal futurisch gevormde viaducten brengen ons naar de andere kant van het kanaal dat loopt van Oudorp bij Alkmaar (Omval) naar Kolhorn. We lopen het natuurgebiedje Boomerwaal door. Met een steil kippenbruggetje de Boomervaart over.

Even verderop spreekt een tegemoet komende wandelaar ons aan.

‘Ha, echte wandelaars!’ roept hij al van een afstandje.

‘Echte wandelaars? Hoezo?’

‘Jullie schoenen!’ zegt hij. Hij wijst en kijkt naar zijn sandalen. Hij spreekt met een zwaar West-Fries accent dat ik niet zal proberen op te schrijven.

‘Is het hekje nog gesloten?’

Er ontstaat een gesprek over een hekje dat voor de opgang naar het kippenbruggetje zou moeten staan. Maar uiteindelijk begrijp ik welk hekje hij bedoelt en begrijpt hij dat er helemaal geen hekje meer is.

‘Deer zelle ze blait mee weze!’

Oké, een beetje West-Fries. Waar ik vandaan kom zouden ze ‘bloit’ hebben gezegd, niet ‘blait’, maar ook het West-Fries heeft weer zijn varianten.

camping bij waarland - foto door niek de greef
Waarland, verkrijgbaar als fine-art print

Door Waarland en de landen daaromheen eentonig langs de autoweg weer naar het kanaal. Over een dicht met distels begroeid pad, de schapen doen hier half werk, langs het water terug naar Verlaat.

kanaal alkmaar omval - kolhorn bij waarland - foto door niek de greef
Waarland, Kanaal Alkmaar Omval – Kolhorn, verkrijgbaar als fine-art print

Schuifdeuren

De poes komt verbaasd aanlopen, blijft voor de openstaande schuifdeuren staan en snuift. Hij kijkt de kamer rond alsof hij niet kan geloven dat de deuren open staan. Stapt dan toch naar binnen.

Het zachte geraas van de snelweg een paar kilometer verderop dringt door de huiskamer binnen. Ook het gekoer van de duif in de coniferen dringt door, een vliegtuig dat, hoog nog, daalt en met een kreun zijn flaps neerlaat. De koelte van de zomerochtend stroomt door de kamer. De zon, laag nog, bleekt de hemel wit.

Het wordt een warme dag. Rossig licht zet de tafel in een vaal-oranje gloed.
Het leidt me allemaal op een niet onprettige manier af van mijn boek.

U bent in Alkmaar

Wit bordje met tekst aan gordijn boven ziekenhuisbed

Aan de gordijnrails van het ziekenhuisbed hangt een bordje.

‘U bent in het ziekenhuis van Alkmaar’.

De vrouw in het bed murmelt met gesloten ogen.

‘Heel veel sterkte met het verwerken van dit verlies. Ik hoop dat je net zo veel mooie herinneringen hebt aan X als ik.’

Het is even stil.

‘Stugge handen ruiken naar terpentine, zwarte randen van de rubber seal, rode krassen van de conifeer die zijn taaie takken met tegenzin pas loslaat als hij je armen heeft kunnen vastgrijpen. Sterke koffie, boterhammen met kaas die slap is van de warmte.’

De vrouw is onrustig. Wrijft over de slang in haar neus.

‘Wit brood, biefstuk erop, in een laagje jus uit de pan die op de kachel verder pruttelt.’

Het apparaat naast haar begint te piepen. Zusters in witte uniformen schieten de kamer in. Het bed met de vrouw erin wordt weggereden. Het bordje aan de gordijnrails bungelt na.

Hard werken

Voor me loopt een hond die met zijn baasje uit wandelen is. De hond moet zijn baasje meetrekken. Als er een vreemde hond in de buurt komt moet hij woest blaffen om de suf kijkende bordercollie op afstand te houden. Zijn baasje trekt de riem kort dus hij moet ook grauwen naar de andere hond. Het baasje laat de riem vieren, dus blaft de hond de andere hond na.

‘Het is hard werken’, zegt het baasje tegen een man op een bankje.

Over J.A. Baker

Manuscript van J.A. Baker

Via Werner Herzog las ik The Peregrine van J.A. Baker, en naar aanleiding daarvan las ik My House of Sky, de biografie over J.A. Baker, geschreven door Hetty Saunders.

Er was erg weinig bekend over Baker. In 2017 schreef Justine Jordan in The Guardian over Baker en The Peregrine. My House of Sky moest nog verschijnen.

Fifteen years ago, relatively little was known about Baker. This was partly due to the writer’s strategic development of his own mystery. In the winter of 1967, he was given an Arts Council award of £1,200. The Daily Telegraph reported on the award: “The most unusual of the [recipients] is John Baker, who lives in a council house in Essex and does not want to say which town in case the neighbours discover what he does. He has no telephone and never leaves his home.

Hetty Saunders kreeg toegang tot de archieven van J.A. Baker. Maar zelfs Saunders weet daarmee de biografie van deze teruggetrokken levende schrijver niet meer volume te geven dan zo’ 140 pagina’s. De rest van het boek deelt een selectie uit de gedichten die Baker schreef, en stukken uit de archieven.

Baker was een man die erg op zichzelf was. Hij had een paar vrienden, die hij trouw bleef.
Zijn schrijven was uiterst precies, zijn observaties zijn precies en gedetailleerd, hij is gepassioneerd en schrijft poëtisch.

Voor de focus en eenzaamheid die Baker zocht is soms weinig begrip. In The New Yorker schrijft Cynthia Zarin bijvoorbeeld

The book was “The Peregrine,” by J. A. Baker. First published in London, in 1967, by HarperCollins, and reissued by New York Review Classics, in 2004, the book is a story of obsession.”

Maar de handvol artikelen die bestaan over Baker bevestigen dat er zo weinig originele bronnen zijn en artikelen klinken als een echoput. De originele geest die bedacht heeft dat het boek een verhaal over obsessie is is niet te vinden. Obsessief is Baker toch niet; wel degelijk toegewijd.

Andere beschrijvingen gaan nog verder in hun conclusies over Baker. In datzelfde artikel in The New Yorker gaat een lezer van Baker nog verder.

T. H. White’s classic “The Goshawk,” published in 1951, and “H Is for Hawk,” by Helen MacDonald, which appeared in 2014, are contemporary additions. Both books are about the art of falconry, in which birds of prey, by means of deprivation and reward, are taught to hunt to please their owners. White was a self-confessed sadist (he told his friend, the writer David Garnett, that his sadistic tendencies had destroyed his love life because of his need to inflict punishment on those he loved); for White, falconry provided the opportunity for cruelty by proxy. MacDonald, who became fascinated with falconry as a child (at eight she asked for a leather hawk leash and hood for Christmas), trains a hawk to allay grief after the death of her father. White’s book is essential to MacDonald’s—she follows his darker story alongside her own more familiar how-to-get-over-it saga. She is dismissive of Baker’s book, finding it frightening: a desire for death and annihilation disguised as an elegy for nature.

Een verlangen naar dood en vernietiging? Het lijkt dat MacDonald haar eigen gewelddadige oorsprong voor haar liefde voor de valkerij projecteert op Baker. Baker was een gepassioneerd natuurliefhebber en schrijver. Maar hij trainde geen roofvogels en jaagde niet. Een mensenschuwe misantroop wellicht, maar ook iemand die van schoonheid hield en zichzelf diep kon identificeren met de slechtvalk, en er prachtig over kon schrijven.

Like the hawk, I heard and hated the sound of man, that faceless horror of the stony places. I stifled in the same filthy sack of fear. I shared the same hunter’s longing for the wild home none can know, alone with the sight and smell of the quarry, under the indifferent sky. I felt the pull of the north, the mystery and fascination of the migrating gulls. I shared the same strange yearning to be gone. I sank down and slept into the feather-light sleep of the hawk.

Dit is geen obsessie, maar identificatie. Geen verlangen naar vernietiging, maar naar begrip.

Waarschijnlijk heeft het boek van Hetty Saunders de bronnen uitgeput en zullen we nooit meer over J.A. Baker te weten komen. Met succes heeft hij de details van zijn leven privé weten te houden.

Pilgrimage

I will venture into the supreme evening
When cool webs of sunlight are straying to the sea
And calm sails are soothing the forelands and the speechless hill.
This staff I carry is winter madness,
I have stripped it of seasons
Down to the livid bone
The immemorial winter;
With it I will cut the shapes of infinite dreams
Or follow the fading of some glorious cloud.

(J.A. Baker)

Het einde van de wereld

Holysloot is zo’n beetje het einde van de wereld. De wegen naar Holysloot eindigen in Holysloot.

Ik loop door het dorp tot het einde van de weg dat sneller komt dan ik verwachtte. Het pontje naar de overkant heb ik niet gezien. Ik kijk op het kaartje op mijn telefoon, maar er gaat al een raam open van een houten huisje langs de weg.

‘Wil je met het pontje?’ vraag een dame die uit het raam buigt.

‘Ja, dat klopt. Kunt u me helpen?’

Ze wijst naar de andere kant van de weg.

‘Ik kom er aan!’

Ik loop naar het grasveld en zie nu de bordjes die ik net volslagen heb gemist.

Pinnen kan en ik reken af bij de dame. We stappen het pontje op, een platbodem met een buitenboordmotortje. Er staat een tentje in het grasveld bij de pont.

‘Heeft u een kampeerder?’ vraag ik.

‘Die is van ons. We sliepen er in. We zijn ons huis aan het verbouwen. Maar het was niet te doen met die ganzen ‘s nachts. We slapen weer binnen.’

‘Echt? Maken die beesten zo’n herrie.’

‘Ja, heel erg. Je bent echt een met de natuur hier.’

Er staat een redelijk windje dat het bootje doet deinen.

‘Een mooie dag zeg, maar er staat wel wat golfslag. We redden het tot windkracht vijf met het bootje.’

‘Ga je vogels fotograferen?’ vraagt ze.

‘Niet speciaal. Ik maak overal foto’s van.’

De dame legt behendig aan en we wensen elkaar een mooie dag.

In de lucht hangt een buizerd. Hij krijst fel en hoog. Ik loop het veld in.

Bij een zwartgeteerd schuurtje zwermen zwaluwen door een spleet in het raam in en uit. Als ik blijf staan worden ze woedend. Ze laten hun indrukwekkende behendigheid zien met luchtacrobatiek die met het oog nauwelijks te volgen is.

Even later bereik ik de dijk bij Uitdam. Hier staan veel BMW’s en Porsches langs de weg.

Het werk aan de dijkverzwaring heeft het wandelpad opgeslokt en ik moet langs de weg lopen. Op de nieuwe, nog karig begroeide dijk staat een bordje: ‘Leeflaag’. Ik heb een nieuw woord geleerd.

Bij Barnegat vind ik het wandelpad het land in terug. Ik worstel honderd meter door het riet, maar er is geen doorkomen aan. Ik loop terug en loop verder langs de weg. Met een ommetje vind ik weer de doodlopende weg naar Holysloot, het einde van de wereld.

Kreil

kolhorn
Barsingerhorn – verkrijgbaar als fine art print

Aan het eind van de Wadweg ga ik eigenwijs niet naar de overkant, want daar wandelde ik vorige week al. Voor straf loop ik anderhalve kilometer langs de autoweg, op een fietspad weliswaar.

Kalkoenen en paarden lopen los.

Her en der liggen vogellijkjes. Buizerds?

De Mieldijk is een mooi weggetje.

Ik loop over de dijk met de naam Kreil. Hier hebben alle mensen paarden. Bij een flauwe bocht rijdt een Maserati me bijna van de sokken. Onderaan de dijk is het Wilde Westen. Bovenop de dijk ben je vogelvrij.

Frik

frik heerhugowaard

Ik wandel door De Noord, tussen de kassen door.

De mensen groeten vriendelijk, maar verwonderd. Er komen hier niet vaak wandelaars, vermoed ik. Het is niet het aantrekkelijkste stukje Nederland.

Bloemen worden hier gekweekt, maar er is ook een zeewierkwekerij.

Ik kom in het gehucht met de prachtige naam Frik.

De route die ik in gedachten had, zou me met een lus terug door hetzelfde gebied moeten brengen, maar ik besluit een andere route te nemen. Het landschap van rechte wegen, afgeperkt door kassen, werd me na een kilometer of zeven te benauwend.

Een auto stopt langs de weg. Een man stapt uit en begint over te geven.