Strafwerk
Ik lees “Het verlies van El Dorado” van V.S. Naipaul, naar aanleiding van vermelding in Paul Theroux’ “The Toa of Travel“? Dicht opeengepakte informatie, en niet er aantrekkelijk geschreven. Voelt als strafwerk.
Ik lees “Het verlies van El Dorado” van V.S. Naipaul, naar aanleiding van vermelding in Paul Theroux’ “The Toa of Travel“? Dicht opeengepakte informatie, en niet er aantrekkelijk geschreven. Voelt als strafwerk.
Op zo’n zondag als je te lang binnen hebt gezeten, ga je naar het strand om een beetje uit te waaien. Op het duin staat een club natuurliefhebbers in camouflagekleding met verrekijkers op driepoten. Eerst probeer je te ontdekken waar ze naar staan te turen, daar in zee. Je krijgt tranen in je ogen van het tegen de wind in staren, dus je vraagt het aan zo’n bebaarde bioloog die geconcentreerd in zijn verrekijker staart. Blijkt dat het gerucht de ronde doet dat er een walvis met jong voor de kust rondzwemt. Je staart nog een tijdje naar de horizon, maar ziet niets. Ook door de verrekijker is blijkbaar niets te zien. Dan roept er ineens iemand: “Kijk, een pestvogel!” Iedereen draait zich om en inderdaad zit er tien meter verderop in een struik een grijze pestvogel. Veel leuker dan een walvis. Camera’s klikken.
De eerste herinnering van John was van een aantal jaren voor zijn geboorte. Ja, dat klinkt raar, maar misschien zullen we dat later verklaren. Het jaar 1960. Het betreft de copulatie die de conceptie van zijn broer Henk tot gevolg had. John stond naast het bed waarin zijn ouders de liefde bedreven. Absurde details van deze herinnering zaten verankerd in zijn brein. Voor het hoge slaapkamerraam hingen donkergroene gordijnen. De gordijnen waren niet volledig naar elkaar toe geschoven. Het heldere licht van een zonnige dag scheen door een spleet tussen de gordijnen de slaapkamer in. John kom de lichtgroene, geruite wollen deken voelen prikken op de billen van zijn vader. De zware bril van zijn moeder lag op het kussen. John had koude voeten gekregen op het grijze linoleum waarmee de vloer van de kamer was bedekt. Het metalen bed van zijn ouders bonkte tegen het kastje aan het hoofdeind van het bed. Van zijn ouders herinnerde John zich geen enkel geluid. De activiteiten van hun liefdesspel werden slechts verraden door het zachte gepiep dat het springveren matras voortbracht. De herinnering eindigde met het verstommen van het gepiep en het neerkletsen van een natte washand op de grond, vlak voor Johns voeten.
Tussen deze herinnering en de volgende bevond zich Johns geboorte.
Zes jaar later zag John de onderbuurman aan komen rijden. John stond voor het slaapkamerraam en keek uit over de weg die voor de flat langs liep. De buurman stak zijn auto achteruit het parkeervak in. Het portier ging open en twee krukken werden naar buiten gestoken. Buurman tilde zijn benen één voor één uit de auto. Met een zwaai zette hij zichzelf op de krukken en hij strompelde om de auto naar het achterportier. Hij opende het achterportier en trok een rolstoel uit de auto die op een rolmechanisme in de auto was opgeborgen. Hij sloot het portier af en liep voorzichtig achter de rolstoel de stoep op. De krukken borg hij in kokers die aan de zijkant van de rolstoel waren bevestigd en hij ging in de stoel zitten. Onder zijn jas vandaan kwam een deukhoed tevoorschijn die hij opzette. Hij tastte weer in zijn jas en haalde er een bolknak uit, die hij ontdeed van het plastic en opstak. In het kommetje van zijn hand hield hij een vlammetje bij de sigaar en gehuld in dikke rookwolken begon buurman te rijden. Hij nam de sigaar uit de mond, spoog op de stoep en reed het beeld uit. John streek met zijn vinger over het bestofte blad van de sanseveria in de vensterbank. Hij bestudeerde de streek die hij had getrokken over het blad en stak toen zijn vinger in zijn mond. Hij proefde de muffe smaak van het stof en spuugde het uit.
De vader van John heette Rudy Goltz. Rudy was een automonteur, een het type arbeider dat de hele dag loopt te kankeren op de baas, tegen collega’s en tegen zijn vrouw. Ondanks dat gescheld hield hij van sleutelen aan auto’s en ging hij graag naar zijn werk.
Schelden en foeteren was Rudy met de paplepel ingegoten. Zijn vader was een onmogelijke zuurpruim met een sjofel voorkomen dat bepaald werd door de lang haar dat achterovergekamd werd gedragen en in model gehouden door brylcream. Iemand die tijdens feestjes pas uit de hoek kwam vanwaar hij de hele vooravond had zitten mokken als hij voldoende citroenbrandewijn had gedronken en dan de verhalen begon te vertellen over de tijd rond 1920 toen hij nog als een soort freelance timmerman door het land had gezworven.
Bertus was geboren in 1898, het jaar waarin Bertus’ vader voor de zoveelste keer promotie kreeg en werd benoemd tot inspecteur-generaal van de fortificaties in Berlijn. Zijn vader was vijfenveertig toen Bertus werd geboren. Bertus zou het enige kind blijven dat het gezin Goltz zou tellen.
Bertus’ moeder was vijftien jaar jonger dan zijn vader. Zijn moeder was een dochter van een Nederlandse zaakgelastigde in Turkije. Zij ontmoette haar toekomstige man in Istanboel, waar hij was gestationeerd om een geheime militaire opdracht te vervullen voor de Turkse regering. Ze waren direct verliefd en in plaats van terug te keren naar haar betrekking als verpleegkundige in Leiden, trok ze bij hem in.
Freiherr Colmar von der Goltz werd geboren in Bielkenfeld, Oost-Pruisen, op 12 augustus 1843. Colmar was een militair in hart en nieren. Op negentienjarige leeftijd solliciteerde hij bij de Pruisische infanterie. In 1864 ging hij naar de Berlijnse militaire academie. Tijdens een tijdelijk uitstapje naar de Oostenrijkse oorlog in 1866 raakte hij gewond. Tijdens een gevecht werd hij geraakt in zijn rechterbil. Afgezien van een moeizame manier van lopen die hem de bijnaam ‘Der Krebs’ deed krijgen, en een merkwaardige aanblik van het missen van een bil in de pantalons van de militair, hield hij hieraan geen noemenswaardige handicap over. In 1867 kwam hij bij het topografische onderdeel van de generale staf terecht. Echter, in de eerste maanden van de Frans-Duitse Oorlog in 1870/1871 werd hij alweer ingelijfd bij de staf van Prinz Friedrich Karl. Hij nam deel aan de slagen bij Orleans en Le Mans. In 1871 werd hij aangesteld als hoogleraar aan de militaire school in Potsdam, kreeg dat jaar de rang van kapitein en werd ondergebracht bij het historische onderdeel van de generale staf. In deze tijd schreef hij verscheidene klassieke militaire werken zoals ‘Die Operationen der II. Armee bis zur Capitulation von Metz’ en ‘Die sieben Tagen von Le Mans’. In 1874 werd hij toegevoegd aan de zesde divisie en schreef in die tijd ‘Die Operationen der II. Armee an der Loire’ en ‘Leon Gambelltr und seine Armeen’. De visies die hij in dit laatste boek beschreef leidden ertoe dat hij weer regimentaire activiteiten moest uitvoeren, maar na korte tijd kwam hij toch bij de afdeling Militaire Historie terecht. In 1878 werd hij lector Militaire Historie aan de militaire academie van Berlijn. Hij bleef hier vijf jaar en werd bevorderd tot majoor. In 1883 publiceert hij ‘Das Volk in Waffen’, wat eveneens een militaire klassieker werd. Daarnaast droeg hij gedurende zijn verblijf in Berlijn bij aan vele artikelen in militaire tijdschriften.
In 1883 wordt hij uitgeleend aan Turkije om de Turkse regering te helen bij het reorganiseren van het militaire apparaat. Hij werkt hier twaalf jaar aan, het resultaat is er naar: de Grieks-Turkse oorlog van 1897 wordt een succes voor Turkije. Goltz krijg de titel pasha. Bij zijn terugkeer in Duitsland in 1896 wordt hij benoemd tot luitenant.generaal en hij wordt commandant van de 5e divisie en in 1898 hoofd van de genietroepen en inspecteur-generaal van de fortificaties. In 1900 wordt hij infanteriegeneraal en in 1902 commandant van het 1e leger. In 1907 wordt hij inspecteur-generaal van het 1e leger inspectie in Berlijn. In 1908 wordt hij tenslotte benoemd tot zijn hoogste militaire rang: kolonel-generaal, ofwel Generaloberst.
Zoals de tijd geen constante is in de relativiteitstheorie, zo is de herinnering ook niet constant; zij is een functie van 1) de herinnering zelf en de wijze waarop deze verandert in de tijd, en 2) de bezitter van de herinnering en de wijze waarop deze verandert in de tijd.
Zo is in de bovenstaande figuur de herinnering voorgesteld als een vijfhoek. In positie 1. wordt de herinnering ‘waargenomen’ al een veelhoekig, complex voorwerp. In positie
Door infarcten aangetaste massa als in melk geweekt oud brood, waardoor nog een enkele ader bloed doet stromen als die overbelaste rioolpijp die zwoegend een nauwelijks vloeibare massa drek naar de bevrijdende monding in de rivier stuwt om daar bevrijd van de benauwenis zijn blobberende inhoud uit te braken.
‘Vuurtje?’
‘Moet nog rijden’.
Het schouwspel duurt een kwartier en zij rookt in die tijd vijf sigaretten, de een met de ander aanstekend als de spreekwoordelijke kettingroker, en de peukjes tussen duim en wijsvinger wegschietend in de kolkende lavastroom die voor hun langstrekt.
‘Waar is de waterpomptang?’
‘In de auto’.
Geen zin hebbend zich om te draaien en de auto open te maken, probeert ze met haar handen de schroef op het luik aan te draaien, maar haar vinger glijden af op het roestige ijzer. De ondergaande zon verlicht haar verrichting. Hij blijft staan staren in de rode lichtbol. Overeenkomstig hun afspraak. Maar ze vloekt en loopt dan toch naar de auto en doet de achterklep open. Ze schuift de dwerg in zijn zuidwester opzij en graait tussen het gereedschap tot ze de waterpomptang te pakken heeft. Als ze de bek van de tang bekijkt ziet ze haar tandarts voor en voelt het metaal in haar mond. Het kraakt. Hij trekt aan haar kaak, maar haar hoofd schudt mee. Met zijn andere hand drukt hij haar tegen haar voorhoofd tegen de stoel en wrikt weer met de tang in haar mond. Dan schiet de kies los en de tang ketst tegen haar boventanden. Ze vloekt en voelt het bloed in haar mond. De tand…
Vorige week had ik een afspraak in IJmuiden om af te stemmen over mijn tentoonstelling in de bibliotheek. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om een rondje door het havengebied te lopen.
Het valt me opeens op dat het havengebied van IJmuiden een beetje zijn ruwe uiterlijk begint te verliezen. Op een stuk braakland bij het Sluisplein verrijst een appartementencomplex. De sluizen zelf zijn vernieuwd en hebben veel van hun betonpatina verloren. Het oude Havengebouw aan de Halkade is gesloopt. In het dal bij de Margadantstraat is een bedrijventerrein gebouwd. Gelukkig heeft het oude pakhuis op de hoek van de 4e Havenstraat, waarin nu Kapteijn zit, de dreiging van sloop doorstaan en is het bij een verbouwing gebleven.
Ik denk even dat ik lijd aan aan wat in het Engels met de term Industrial Nostalgia wordt aangeduid, en waarvoor ik geen Nederlandse vertaling kan vinden (en waarvoor vreemd genoeg nog geen Wikipedia-artikel bestaat). Maar nostalgie suggereert echter een emotie, maar het gaat mij er meer om dat zo weinig mogelijk van dit typerende unieke beeld verdwijnt en niet is vastgelegd voor het plaatsmaakt voor een vooralsnog onduidelijke typologie.
De eerste dag rijden we naar een waterval. We parkeren bij een zalm- en steurkwekerij. De parkeerplaats bij het begin van de trail staat vol met auto’s – het is zaterdagmiddag. We drinken koffie bij de giftshop van de kwekerij, die de naam “Herman” draagt. In de winkel liggen mokken waarop een enorme steur te zien is, met daaronder groot de naam Herman.
We wandelen door het park van de kwekerij, langs zwembaden vol kleine en grote vissen. In een laag gebouwtje, waar je via een paar treden naar beneden loopt, trekt een reusachtige steur zijn rondjes in een aquarium—Herman? Hij heeft een paar meter om rechtuit te zwemmen, maar moet dan alweer keren. Als een onrustige leeuw in een te kleine kooi zwiert de vis die we dan maar Herman noemen rusteloos heen en weer. Zwemt hij langs het raam, dan vallen zijn biefstukrode, gerafelde kieuwen op; ze wapperen als de flarden van een oude vlag.
(Portland was al weer tijdje geleden)
Werner Herzog wrote a book about the nature of truth titled “The Future of Truth” (De Toekomst van de Waarheid). A concept much abused these days.
To Werner Herzog, truth is a search, a quest, almost one that distinguishes us from the other, more or less intelligent animals. In this concise yet idea-packed book, he examines the truth from several interesting angles, including political, artistic, historical, and scientific perspectives. He interweaves interesting stories in his arguments, like an artist should.
He looks at people who are considered larger-than-life. Contrary to popular belief, self-proclaimed genius (my words) Elon Musk did not invent the electric car. He didn’t found Tesla. He bought that one. And he bought Twitter. With that truth, he aims to facilitate the spreading of lies. (He did found SpaceX, though.)
The word for truth in Ancient Greek is aletheia, the negation of lethe, meaning forgetfulness or oblivion. Alatheia is that which reveals what was hidden. Alatheia is like a film and photography on celluloid. There is something on it, but it has to be revealed and developed.
Art creates a truth, according to Herzog. In opera, music transforms almost the craziest, unthinkable stories into wondrous truths. (Herzog directed several operas.)
Herzog’s film Family Romance tells the story of how, in Japan, actors are hired to replace a father or husband in their real life. Actors stand in for the father of a girl, the broom for a marriage, and an employee receiving a scrubbing. After the movie was released, Japanese broadcaster NHK produced a documentary about the company that hires out these actors, referred to in Herzog’s movie as Family Romance, and about the people who hire its actors. A bizarre double world emerges in this documentary. A client of the ‘Family Romance’ service was interviewed and questioned about why he wanted the actor to take his place in real life. After the documentary was finished, NHK discovered that the client they had interviewed was also an actor who had been hired to replace the original client. The argument was that the actor could portray the client more effectively than the client himself. Because the actor can speak the absolute truth, and the real person could do nothing but lie. Still with me?
In another movie of his, Herzog plays a priest. He meets a stranger and records a confession from this stranger for the film. During the act, he fabricates several facts as a priest, which the confessor greedily accepts, and the confession is more honest and well-meant than it could ever have been in real life. Making the fake confession more truthful than a real one.
Another story unfolds in Russia during the time of Czarina Catherine II. Potemkin villages were villages created as fronts, much like movie sets, to give the Russian czarina the impression of a prosperous country. A staged world similar to the North Korean Peace Village. Or the Truman Show.
In his films, Herzog attributes celebrity quotes that could have been said, but which he fabricated. He believes that this made-up truth is also a truth: an ecstatic, more profound truth.
Another bizarre story is that of a man on death row who continued to believe in his self-made innocence to the end, even though he was guilty, believing his concoctions til the end. This story reminded me of the song “The Mersey Seat” by Nick Cave & The Bad Seeds. In this unsettling song, a condemned man continues to believe in his innocence until just before his execution, but the truth catches up with him.
And in a way I’m yearning
To be done with all this measuring of proof
Of an eye for an eye
And a tooth for a tooth
And anyway I told the truth
And I’m afraid I told a lie
Of course, AI is impossible to ignore, and Herzog explores the fake images it can generate, such as the AI-created photograph that was awarded the top prize at the Sony Photo Awards.
Herzog discusses how we can protect ourselves from being deceived by fakes. He recommends always approaching information with skepticism—assuming it might be false—and diligently verifying the truth behind any claim. He emphasizes that any request to transfer money should be treated as a red flag. In his view, the digital world is inherently unreliable.
According to Herzog, what helps us navigate this uncertainty are three key practices:
In the final chapter, Herzog admits that there is no definitive “future of truth.” Instead, the search for truth remains an essential, existential pursuit.
I read the book in its Dutch translation. When I wanted to buy it for a friend in the US, I discovered—somewhat surprisingly—that the English translation is not yet available. It is scheduled for release in September 2025.
Most of these self-help books are okay-ish. Yet many are superfluous encouragements.
We all know what is essential. Self-help feels like procrastination. We often read these books to avoid doing the real things.
However, explaining to people how to do difficult things is easier than doing the difficult stuff themselves.
Teaching people how to make their art is easier than the work of making art itself.
And to finish it.
Calling yourself creative doesn’t make it true. All that matters is what you’ve launched. Make finishing your top priority.
Kevin Kelly’s Advice for Living staat hier vol mee:
Prescription for popular success: do something strange. Make a habit of your weird.
Do more of what looks like work to others but is play for you.
En meer selective ignorance:
Ignore what others may be thinking of you because they aren’t thinking of you.
I visited the Chris Killip retrospective in the Hague at the Fotomuseum Den Haag a few months ago. It was a fantastic show at the Fotomuseum Den Haag.
The Sunday after visiting the show, I attended a second-hand album festival. I was browsing through the record bins and found an interesting record from Ian Dury, Laughter, the album released in 1980. I bought the record. Later, I listened to the record and read the album cover. Chris Killip made the photos on the record cover,
Chris Killip was commissioned to make photos for the cover of Laughter, the album released in 1980 by Ian Dury and the Blockheads.
I can not find any information on the background of this collaboration. Even the AIs remain silent.
I went to this conference in Portland, Oregon. I had never been to Portland. The most impressive thing about Portland during this short visit, I found, is its Steel Bridge (A rabbit hole on itself. By the looks of it, you would suppose it is a relic from an industrial past, but actually it is still in use. It has its own Wikipedia page). The Japanese Gardens of Portland seem great, but I did not have enough time to visit them. And not giving it priority, having seen the real thing in Japan itself.
On the plane back home, I finished reading my book (The Invisible Gorillaby Christopher Chabris and Daniel Simons) and randomly took the next book from the stack on my e-reader: Aimee Bender’s The Butterfly Lampshade.
A girl with a mentally ill mother gets to live with her aunt and uncle… In Portland. When she visits them, she takes that same Red Line from the airport to the City Center to her aunt’s house, as I had been on that week.
There is no coincidence.
The book starts with a brilliant and moving phone conversation between the mother, the aunt, and the little girl.